© 2016 - W. Bunnik



Grammatica theorie



GERMATIK LEZEN LUISTEREN SCHRIJVEN SPREKEN GESPREKKEN VOEREN

 Inhoudsopgave  
















 TAALKUNDIG ontleden
















1



Lidwoord





2



Zelfstandig naamwoord





3



Bijvoeglijk naamwoord






3

1

Der-, ein- en zondergroep (Duits)





4



Werkwoorden






4

1

Infinitief







4

2

Persoonsvorm







4

3

Deelwoorden







4

4

Tijden







4

5

Zwakke werkwoorden









Sterke werkwoorden









Onregelmatige werkwoorden







4

6

Zelfstandige werkwoorden







4

7

Hulpwerkwoorden







4

8

Koppelwerkwoorden






5



Voornaamwoorden







5

1

Persoonlijke voornaamwoorden







5

2

Bezittelijke voornaamwoorden







5

3

Aanwijzende voornaamwoorden







5

4

Vragende voornaamwoorden







5

5

Betrekkelijke voornaamwoorden







5

6

Onbepaalde voornaamwoorden







5

7

Wederkerende voornaamwoorden







5

8

Wederkerige voornaamwoorden






6



Bijwoord






7



Voorzetsel






8



Voegwoord






9



Telwoord






10



Tussenwerpsel






 















 REDEKUNDIG ontleden
















11



Onderwerp






12



Gezegde







12

1

Werkwoordelijk gezegde







12

2

Naamwoordelijk gezegde






13



Lijdend voorwerp






14



Meewerkend voorwerp






15



Zinsdelen met een voorzetsel







15

1

Voorzetselvoorwerp







15

2

Bijwoordelijke bepaling






16



Bijvoeglijke bepaling




































 Diversen
















17



Hoofd- en bijzinnen







17

1

Onderschikking en nevenschikking







17

2

Betrekkelijke bijzin







17

3

Bijvoeglijke bijzin






18



Bedrijvende en lijdende zinnen






















































Uitgangspunt van dit overzicht is een bestand dat ik jaren geleden ergens gevonden heb. Ondanks verwoede zoekpogingen is het mij niet gelukt het origineel terug te vinden.































 Ontleden

















Als je een zin ontleedt, doe je eigenlijk niets anders dan hem in stukken verdelen. Je haalt hem uit elkaar. Dat kun je op twee manieren doen:

















Taalkundig ontleden






Je haalt een zin helemaal uit elkaar, woord voor woord. Elk apart woord geef je een naam. Dat noemen we taalkundig ontleden. Bij taalkundig ontleden praten we over woordsoorten.


Redekundig ontleden






Je kunt een zin ook op een andere manier uit elkaar halen. Je kijkt dan niet meer naar elk woord apart. Je kijkt naar delen van de zin, die bij elkaar horen en die een bepaalde functie in de zin hebben. Bij redekundig ontleden praten we over zinsdelen.
















 Afkortingen


















LW



Lidwoord






BLW


Bepaald lidwoord






OLW


Onbepaald lidwoord





ZNW



Zelfstandig naamwoord





BNW



Bijvoeglijk naamwoord





WW



Werkwoord






ZWW


Zelfstandig werkwoord






HWW


Hulpwerkwoord






KWW


Koppelwerkwoord





















PV


Persoonsvorm






VDW


Voltooid deelwoord






ODW


Onvoltooid deelwoord






INF


Infinitief





















OTT


Onvoltooid tegenwoordige tijd






OVT


Onvoltooid verleden tijd






VTT


Voltooid tegenwoordige tijd






VVT


Voltooid verleden tijd





VNW



Voornaamwoord






PSV

Persoonlijk voornaamwoord






BZV

Bezittelijk voornaamwoord






AV

Aanwijzend voornaamwoord






VRV

Vragend voornaamwoord






BTV

Betrekkelijk voornaamwoord






OV

Onbepaald voornaamwoord






WV

Wederkerend voornaamwoord






WGV

Wederkerig voornaamwoord





BW



Bijwoord






VNB

Voornaamwoordelijk bijwoord





VZ



Voorzetsel





VGW



Voegwoord





TELW


Telwoord


















 Allerlei


















m / m


mannelijk





v / w


vrouwelijk





o / s


onzijdig





mv / Mz


meervoud




















NE


Nederlands





EN


Engels





DU


Duits





FA


Frans





LA


Latijn

































 Klinkers en medeklinkers

















Woorden bestaan uit klinkers en medeklinkers.


De klinkers zijn: aeiouy.


Alle andere letters uit ons alfabet noemen we medeklinkers.

In diverse moderne vreemde talen is het van belang om te letten op woorden die met een klinker beginnen.

















FA















De ‘h’, klinker of medeklinker?
De h is eigenlijk een medeklinker. In het Frans wordt hij wel geschreven, maar nooit uitgesproken.
Toch is er verschil.

De h kan toonloos zijn, stom zeggen we dan. Je doet in dit geval net alsof hij er helemaal niet staat en het ZNW met een klinker begint.


Een h kan echter ook stemhebbend zijn (aspiré, zeggen de Fransen dan). In woordenboeken worden ZNW die beginnen met een stemhebbende h op een aparte manier vermeld. Elk woordenboek doet dat jammer genoeg op een andere manier (soms wordt de h voorafgegaan door een •, soms wordt de h schuingedrukt). Bij deze ZNW doe je net alsof het woord met een medeklinker begint.




gewoonte is


habitude, een stomme h


dus l'habitude



hoogte is


•hauteur, een stemhebbende h


dus la hauteur






hauteur, een stemhebbende h


dus la hauteur































 Naamvallen in het Duits en het Latijn

















In het Nederlands kennen we geen naamvallen meer. Vroeger hadden we die wel. Een enkele daarvan is nog blijven bestaan. Bijvoorbeeld in een uitdrukking als de heer des huizes.


In het Duits en het Latijn bestaan er echter wel naamvallen. Het Duits heeft er vier, het Latijn heeft er zelfs zes.


Bij het redekundig ontleden verdelen we de zin in zinsdelen. Al die zinsdelen hebben een naam: onderwerp, meewerkend voorwerp, lijdend voorwerp, etc..


Het Duits en het Latijn laten door de manier waarop een woord geschreven wordt, altijd heel goed zien welke functie een zinsdeel in de zin heeft.


Een ZNW dat onderwerp is, wordt bijvoorbeeld anders geschreven dan een ZNW dat lijdend voorwerp is.

De lidwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en voornaamwoorden die bij zo’n woord horen doen dat ook en passen zich aan bij het ZNW.


In het woordenboek vinden we altijd de vorm van het woord zoals die is in de eerste naamval.


Het veranderen van vorm noemen we ook wel vervoegen.
















DU
















De vier naamvallen van het Duits zijn:




1

Het onderwerp



eerste naamval

der Nominativ


2

Het bezit ergens van ("van" zonder "von")

tweede naamval

der Genitiv


3

Het meewerkend voorwerp



derde naamval

der Dativ


4

Het lijdend voorwerp



vierde naamval

der Akusativ



Veel woorden in de zin krijgen door die naamvallen een andere vorm.

     

Die vorm kan ook nog eens veranderen al naar gelang een woord enkelvoud of meervoud is.


Die vorm kan ook nog eens veranderen omdat het ZNW mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is.


Die vorm kan tenslotte veranderen wegens een VZ of een WW waar een naamval bij hoort.
















LA
















De zes naamvallen van het Latijn zijn:




1

Het onderwerp



nominativus


2

Het bezit ergens van


genitivus


3

Het meewerkend voorwerp



dativus


4

Het lijdend voorwerp



accusativus


5

De bijwoordelijke bepaling



ablativus


6

De aanspreekvorm



vocativus (meestal gelijk aan de nominativus)



Veel woorden krijgen door die naamvallen een andere vorm.



Die vorm kan ook nog eens veranderen al naar gelang een woord enkelvoud of meervoud is.



Die vorm kan ook nog eens veranderen omdat allerlei woorden op een bepaalde manier worden vervoegd of verbogen. Voor ZNW, BNW, VNW en TELW zijn er 5 groepen, vijf manieren om woorden te vervoegen.































 Taalkundig ontleden

















Bij taalkundig ontleden haal je, zo stond al in de inleiding, een zin helemaal uit elkaar, woord voor woord. Bij taalkundig ontleden hebben we het over woordsoorten. Je komt immers steeds verschillende soorten woorden tegen.


Elk apart woord kun je een naam geven. We zeggen ook wel: je kunt elk woord benoemen.


Bij het taalkundig ontleden kom je in het Nederlands tien verschillende "hoofdsoorten" tegen.

We hebben het dan bijvoorbeeld over een lidwoord, een zelfstandig naamwoord, een werkwoord, een voornaamwoord.


Sommige van die "hoofdsoorten" kunnen we ook nog eens onderverdelen. Zo zijn er bijvoorbeeld een groot aantal verschillende voornaamwoorden. We kennen bijvoorbeeld een vragend voornaamwoord, een betrekkelijk voornaamwoord en een persoonlijk voornaamwoord.

















Voorbeeld: benoem de schuingedrukte woorden:


In (VZ) de stad (ZNW) moet je (PSV) bijna overal betalen, als je je (BZV) auto wil parkeren.














































1



Lidwoord
















LW kunnen nooit alleen gebruikt worden. In een zin worden ze altijd samen met ZNW gebruikt.


Het Latijn kent in tegenstelling tot de andere talen geen LW.


Er zijn bepaalde lidwoorden (BLW) en onbepaalde lidwoorden (OLW).

Een BLW geeft aan dat het om één persoon of één bepaald ding gaat.

Een OLW geeft aan dat het om een willekeurige persoon of een willekeurig ding gaat.
















NE















De en het zijn de BLW.

de man – de vrouw – de jongen

het meisje – het boek – het land – het jongetje



Een is het OLW, maar alleen als je het kan uitspreken als ‘n.

Een is een telwoord als je het als één uitspreekt.

een man – een vrouw – een jongen – een camera – een televisie

een meisje – een boek – een land – een jongetje



De is het enige lidwoord dat we in het meervoud gebruiken.

de man – de mannen                             het meisje – de meisjes



Het kan in een zin soms toch alleen gebruikt worden, zonder ZNW. In dat geval is het geen lidwoord.

Hij heeft het niet gedaan.       Het heeft gisteren verschrikkelijk hard geregend.




PSV

OV
























EN















In het EN zijn er twee lidwoorden:


1. the, het BLW.


2. a of an, het OLW an gebruik je voor woorden die met een klinker beginnen.



the man

the woman

a man

an old man

an accent



















DU














Het DU heeft ZNW die mannelijk, vrouwelijk of onzijdig zijn


Het lidwoord, bepaald en onbepaald, heeft voor elk van die woorden een andere vorm.


In het meervoud heeft het BLW één vorm (voor mannelijk, vrouwelijk en onzijdig).







Enkelvoud


Meervoud







Bepaald lidwoord mannelijk

der

der Mann

die

die Männer






Bepaald lidwoord vrouwelijk

die

die Frau

die

die Frauen






Bepaald lidwoord onzijdig

das

das Kind

die

die Kinder







Onbepaald lidwoord mannelijk

ein*

ein Mann

keine*

keine Männer






Onbepaald lidwoord vrouwelijk

eine*

eine Frau

keine*

keine Frauen






Onbepaald lidwoord onzijdig

ein*

ein Kind

keine*

keine Kinder










*Je kunt van "ein(e)" geen meervoud maken, daarom gebruiken we voor het gemak "kein(e)"!




















Het DU heeft bovendien vier naamvallen. Zo krijg je dan het volgende schema:




Bepaald lidwoord



Onbepaald lidwoord






m/m

v/w

o/s

mv/Mz



m/m

v/w

o/s

mv/Mz





1

der

die

das

die


1

ein

eine

ein

keine





2

des

der

des

der


2

eines

einer

eines

keiner





3

dem

der

dem

den


3

einem

einer

einem

keinen





4

den

die

das

die


4

einen

eine

ein

keine





NE

de

de

het

de



een

een

een

geen




 














FA















Het FA heeft ZNW die mannelijk of vrouwelijk zijn.


Het lidwoord, bepaald of onbepaald, heeft voor elk van die woorden een andere vorm.


Het BLW heeft in het meervoud één vorm (voor mannelijk en vrouwelijk).


Het BLW le of la wordt als l’ geschreven voor woorden die met een klinker of een stomme h beginnen.



Bepaald lidwoord mannelijk

le

le livre









Bepaald lidwoord vrouwelijk

la

la femme









Bepaald lidwoord meervoud

les

les livres, les femmes









Bepaald lidwoord voor stomme h, mannelijk of vrouwelijk

l'

l’homme, l’ami, l’amie







Onbepaald lidwoord mannelijk

un

un homme









Onbepaald lidwoord vrouwelijk

une

une femme























Het FA is de enige taal die voor het OLW een meervoud heeft. Dit lidwoord noemen we het delend lidwoord.



NE

een kind


kinderen










EN

a child


children










DU

ein Kind


Kinder










FA

un enfant


des enfants























2



Zelfstandig naamwoord





















ZNW zijn woorden voor:









mensen

man, vrouw, jongen


dingen

auto, televisie


dieren

hond, leeuw


abstracte begrippen

zo noemen we dingen die je niet met je handen kan aanraken, zoals: liefde, oorlog, tevredenheid


eigennamen

Jan, Berlijn, Engeland, Peugeot, Volkswagen


(soms) hele werkwoorden

eten, drinken

















Kenmerkend voor ZNW is:





je kunt ze meestal in het meervoud zetten.





je kunt er een lidwoord voor zetten.





je kunt er vaak een verkleinwoord van maken.




















ZNW hebben een geslacht. Dat wil zeggen ze kunnen:






mannelijk zijn.








vrouwelijk zijn.








onzijdig zijn.






















NE















Het verschil tussen mannelijk en vrouwelijk is voor de meeste Nederlanders niet duidelijk meer. Mannelijke en vrouwelijke ZNW worden altijd met het lidwoord de gebruikt.



de man

de vrouw


























Onzijdige ZNW worden gebruikt met het lidwoord het. Verkleinwoorden zijn altijd onzijdig.



het huis

de hond

het hondje

de jongen

het jongetje



















Het meervoud wordt meestal gevormd door achter het enkelvoud een s of en te zetten.

Soms krijgen ZNW in het meervoud een klinkerverandering.

Soms verdwijnt er zo maar een klinker.

Soms wordt de medeklinker aan het eind verdubbeld of hij verandert.




één tafel

twee tafels



één boek

twee boeken






één stad

twee steden












één doos

twee dozen












één tas

twee tassen


























Sommige ZNW komen alleen in het enkelvoud voor. Eigennamen en hele werkwoorden, gebruikt als ZNW, zijn hier voorbeelden van.



het zand

Jan

Duitsland

het eten






















Sommige ZNW komen alleen in het meervoud voor.



de kosten

de onkosten

de hersenen
























Verkleinwoorden eindigen in het Nederlands altijd op –je. Soms verandert het ZNW ook voor –je.



de tas

het tasje

het ding

het dingetje








de naam

het naampje

de baan

het baantje





















EN















Mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is van minder belang dan bij andere talen.


Het meervoud vorm je door een s achter het ZNW te zetten. Er zijn uitzonderingen!



the book

the books

the car

the cars

the foot

the feet


















Het meervoud van woorden met een sis-klank aan het eind maak je in het EN door er -es achter te zetten.



the match

the matches

the bus

the buses






















Verkleinwoorden zijn er bijna niet. Meestal gebruikt men het BNW small of little.



het jongetje

the little boy

een riviertje

a small river





















DU














Het DU schrijft alle ZNW met een HOOFDLETTER.



der Mann

die Frau

das Kind
























Het DU heeft ZNW die mannelijk, vrouwelijk of onzijdig zijn. Het lidwoord heeft voor elk van die woorden een andere vorm.


De meervoudregels zijn in het DU niet gemakkelijk. Gebruik een (online) woordenboek als je niet zeker bent (www.uitmunten.de is uitstekend).


Verkleinwoorden zijn, net als in het NE, onzijdig. Zij eindigen op -chen of -lein. De klinker in de lettergreep ervoor krijgt een Umlaut).



der Hund

das Hündchen

das Hündlein























FA















Het FA heeft ZNW die mannelijk of vrouwelijk zijn.

Het lidwoord heeft voor elk van die woorden een andere vorm.

Soms zijn ZNW zowel mannelijk als vrouwelijk, de betekenis verandert dan.



le tour = de ronde, de beurt


le Tour de France








la tour = de toren


la Tour Eiffel






















ZNW krijgen vaak een s in het meervoud. Maar er zijn ook andere regels.



la maison

les maisons


MAAR:

le nez

les nez

l'animal

les animaux


















Verkleinwoorden zijn er bijna niet. Meestal gebruik je het BNW petit (klein).



het jongetje

le petit garçon


























In het meervoud hebben sommige woorden een andere betekenis.



le devoir = de plicht

les devoirs = het huiswerk










la vacance = de vacature

les vacances = de vakantie






















LA















ZNW hebben geen lidwoord. Het LA kent dit woord gewoonweg niet.


ZNW kunnen mannelijk, vrouwelijk, onzijdig, enkelvoud of meervoud zijn.


ZNW hebben een naamval (er zijn er 6). Elke naamval kan een andere uitgang krijgen.


Het krijgen van een andere naamval heet verbuigen of declineren.


Er zijn 5 verschillende manieren van verbuigen: vijf declinaties.



Een declinatie: ZNW die eindigen op een -a, bijvoorbeeld puella = meisje.





enkelvoud


meervoud








nominativus


puella


puellae








genitivus


puellae


puellarum








dativus


puellae


puellis








accusativus


puellam


puellas








ablativus


puella


puellis








vocativus


puella


puellae





















3



Bijvoeglijk naamwoord






Een BNW zegt altijd iets over een ZNW. Daarom staat een BNW in het NE heel vaak voor een ZNW.


Maar, een BNW kan ook ergens anders in de zin staan. Het zegt dan nog steeds iets over het ZNW dat ergens anders in de zin staat.


NE















Als een BNW rechtstreeks bij een ZNW staat, dan zet het NE het bijvoeglijk naamwoord altijd vóór het ZNW. Opvallend is dat achter het BNW in dat geval vaak een e komt te staan.



het leuke boek

de leuke boeken


het mooie huis

maar: een mooi huis






de mooie film

de mooie films

























Het BNW kan ook een stuk verderop in de zin staan. In de zin staat dan heel vaak het werkwoord zijn of worden. Opvallend is dat het BNW dan geen e krijgt.



het boek is leuk



de boeken die ik gelezen heb, zijn leuk



de film is mooi



de films die ik in de bioscoop zag, zijn mooi

















BNW die een stof of een materiaal aangeven, eindigen op -en.



het gouden horloge


de houten deur


het stenen huis



















BNW hebben een vergrotende trap. We zetten er dan meestal -er achter.
Eindigt het BNW op een medeklinker, dan verdubbelt die medeklinker.



het boek is leuk


het boek is leuker


de film is mooi


de film is mooier



de weg is glad


de weg is gladder





















BNW hebben een overtreffende trap. We zetten er meestal -ste achter.
Als zo’n woord verderop in de zin staat dan zetten we er ook nog eens de of het voor.



het leuke boek


het leukste boek



de film is mooi


de film is de mooiste die ik ooit heb gezien

















Soms zijn de vergrotende en de overtreffende trap onregelmatig.



goed

beter

best


veel

meer

meest


graag

liever

liefst


















EN















Het BNW verandert eigenlijk nooit en staat bijna altijd voor het ZNW.



the old book


the old books


the book is old


the books are old


















Vergrotende trap: BNW + -er


Overtreffende trap: BNW + -est



Dit geldt ook voor BNW met 2 lettergrepen, met de klemtoon op de laatste lettergreep en
BNW die eindigen op -ow, -le,- -er, -some.



tall

taller

tallest


small


smaller

smallest



polite

politer

politest


narrow

narrower

narrowest

















Andere BNW vormen de trappen van vergelijking met more en the most.



beautiful


more beautiful


the most beautiful





















Vergrotende en overtreffende trappen zijn voor sommige woorden onregelmatig.



good


better


best
























DU














Het BNW staat voor het ZNW en past zich aan in geslacht, enkelvoud of meervoud en in naamval.



Der alte Mann ist krank.

alt wordt alte (1e naamval mannelijk, enkelvoud)



Ich sehe den alten Mann.

alt wordt alten (4e naamval mannelijk, enkelvoud)

















Staat het BNW niet direct voor een ZNW, maar verderop in de zin: het BNW verandert niet.



Der kranke Mann


maar


Der Mann ist krank.





















Vergrotende trap: zet -er of -r achter het BNW. BNW met één lettergreep? Gebruik een Umlaut.



alt

älter



interessant

interessanter






















Overtreffende trap: zet -est of -st achter het BNW. BNW met één lettergreep? Gebruik ook een Umlaut.



alt

ältest



interessant

interessantest





















3

1

Der-, ein- en zondergroep








Der-groep










Bepaald lidwoord









m/m


o/s




v/w


mv/Mz






1

der

arme

das

arme


1

die

arme

die

armen





2

des

armen

des

armen


2

der

armen

der

armen





3

dem

armen

dem

armen


3

der

armen

den

armen





4

den

armen

das

arme


4

die

arme

die

armen





NE

de arme

het arme



de arme

de arme




















Ein-groep











Onbepaald lidwoord









m/m


o/s




v/w


mv/Mz






1

ein*

armer*

ein*

armes*


1

eine

arme

keine

armen





2

eines

armen

eines

armen


2

einer

armen

keiner

armen





3

einem

armen

einem

armen


3

einer

armen

keinen

armen





4

einen

armen

ein*

armes*


4

eine

arme

keine

armen





NE

een arme

een arm



een arme

geen arme




















Alle BNW binnen “de sleutel” eindigen op -en. Bij BNW buiten de sleutel moet je verschil maken tussen de der- en de ein-groep.

* De grootste verschillen tussen der- en ein-groep.



Zonder-groep











Zonder lidwoord









m/m


o/s




v/w


mv/Mz






1

armer

Mann

armes

Kind


1

arme

Frau

arme

Leute





2

armen*

Mannes

armen*

Kindes


2

armer

Frau

armer

Leute





3

armem

Mann

armem

Kind


3

armer

Frau

armen

Leuten





4

armen

Mann

armes

Kind


4

arme

Frau

arme

Leute





NE

arme man

het

de



arme vrouw

arme mensen

































FA















Het BNW kan voor of achter het ZNW staan. De meeste BNW staan achter het ZNW.



un grand livre


un livre intéressant






















Het BNW past zich altijd aan bij het ZNW.



le grand livre


les grands livres


les livres sont grands




la grande femme


les grandes femmes


les femmes sont grandes


















Vergrotende trap: zet plus voor het BNW.



un grand livre


un plus grand livre























Overtreffende trap: zet le plus (of la plus of les plus) voor het BNW.



le grand livre


le plus grand livres


les plus grands livres




la grande femme


la plus grande femme


les plus grandes femmes


















Vergrotende en overtreffende trappen zijn voor sommige woorden onregelmatig.



goed: bon


meilleur


le meilleur





















LA















BNW passen zich aan bij ZNW, mannelijk, vrouwelijk, onzijdig, enkel- of meervoud en naamval. Dit aanpassen heet "congrueren".

















Vergrotende trap: zet achter de stam van een BNW -ior (m. en vr) of -ius (onz).

















Overtreffende trap: zet achter de stam van een BNW -issimus (m), -issima (vr), -issimum (onz).



hoog: altus


stam: alt-

hoger


altior


altius











hoogste


altissimus

altissimum


















De overtreffende en de vergrotende trap zijn soms ook onregelmatig.



goed: bonus


melior

optimus






















4



Werkwoorden






WW geven aan wat iemand doet of wat er gebeurt.


WW hebben verschillende vormen. Er zijn (in het NE) drie hoofdvormen.


WW hebben verschillende tijden.


WW kunnen sterk, zwak of onregelmatig zijn.


Er zijn ZWW, HWW en KWW.


Hoofdvormen bestaan in alle andere talen ook, maar hoeven niet dezelfde te zijn als in het NE.
In plaats van hoofdvormen spreken we ook wel van hoofdtijden of stamtijden.
Soms heb je ze nodig omdat andere tijden van die hoofdtijden worden afgeleid.


Zwakke en sterke werkwoorden zijn alleen belangrijk voor het DU.


Onregelmatige werkwoorden zijn er in alle talen.
















NE















In het NE zijn er drie hoofdvormen van het WW:


de infinitief (het hele werkwoord)


de persoonsvorm


het deelwoord.
















4

1

Infinitief







De infinitief wordt ook wel het hele werkwoord of de onbepaalde wijs genoemd.
Het is de vorm van het werkwoord zoals je die in het woordenboek vindt.
In het NE eindigt een infinitief op –en of –n.



lopen


zeggen


hebben


doen


zijn





















De infinitief kan ook worden gebruikt als ZNW.



Ik heb een hekel aan lopen.


Het eten is niet lekker.

















Elk werkwoord heeft een stam.
De stam van het WW is gelijk aan de ik-vorm van het WW.
Je kunt de stam meestal ook vinden door de letters –en bij de infinitief weg te halen.



zeggen


stam: zeg (ik zeg)


doen



stam: doe (ik doe)

















De gebiedende wijs in het NE is gelijk aan de stam van het werkwoord.



doe dit, doe dat


























EN















De infinitief wordt altijd voorafgegaan door het woordje to.



gaan = to go


lopen = to walk


zijn = to be





















DU















De infinitief eindigt op –en of op –n.



essen


wechseln

























De stam van het werkwoord vind je door bij de infinitief –en of –n weg te laten.



essen


stam: ess-


wechseln


stam: wechsel-

















De infinitief kan worden gebruikt als ZNW. Dit ZNW is dan altijd onzijdig en krijgt een hoofdletter



Das Essen is herrlich.





Het eten is heerlijk.


















FA















Er zijn in het FA voor de regelmatige werkwoorden drie verschillende infinitieven.


De stam vind je door de kenmerkende letters van de infinitief weg te laten.






-er


-ir


-re








travailler


finir


rendre





stam:


travaill-


fin-


rend-



















Een vierde groep werkwoorden (eindigend op –oir) is onregelmatig.


De infinitief is ook in het FA een hoofdtijd. Je gebruikt hem voor de futur (de toekomende tijd).



werken


travailler


je travaillerai


ik zal werken


















LA















In het LA zijn er 4 groepen (ook wel conjugaties genoemd).



a-conjugatie


vocare


stam: voca








e-conjugatie


delere


stam: dele








i-conjugatie


audire


stam: audi








consonant


regere


stam: reg






















4

2

Persoonsvorm





















NE















Is de tweede hoofdvorm van het werkwoord.


De persoonsvorm is de vorm van het werkwoord die zich aanpast aan de persoon die erbij hoort.



zeggen

ik

zeg




vinden

ik

vind








jij

zegt





jij

vindt








hij

zegt





hij

vindt








wij

zeggen





wij

vinden








jullie

zeggen





jullie

vinden








zij

zeggen





zij

vinden





















De persoonsvorm heeft in de verleden tijd een andere vorm dan in de tegenwoordige tijd.



zeggen

ik

zeg


wij

zeggen


tegenwoordige tijd







ik

zei


wij

zeiden


verleden tijd





















Je kunt een een persoonsvorm op 3 verschillende manieren vinden:


1. Maak de zin vragend, de persoonsvorm wordt het eerste woord van de zin.



Hij keek naar de televisie.


Keek hij naar de televisie?

















2. Zet de zin in een andere tijd. De werkwoordsvorm die verandert, is de persoonsvorm.



Hij kijkt naar de televisie.


Hij keek naar de televisie.

















3. Maak van enkelvoud meervoud of andersom. De persoonsvorm is de werkwoordsvorm die verandert. (Het onderwerp moet dan ook veranderen!)



Jij kijkt naar de televisie.

Jullie kijken naar de televisie.

















Bij de PV praten we over eerste, tweede, derde persoon, en ook over enkelvoud en meervoud.



1

ik


eerste persoon enkelvoud

de spreker zelf




2

jij, je, u


tweede persoon enkelvoud

de persoon die wordt aangesproken




3

hij, zij, ze, het

derde persoon enkelvoud

de persoon over wie wordt gesproken



















1

wij


eerste persoon meervoud

de sprekers zelf




2

jullie


tweede persoon meervoud

de personen die worden aangesproken




3

zij, ze


derde persoon meervoud

de personen over wie wordt gesproken


















In plaats van ik, jij, hij, etc. kan er in een zin ook een ZNW staan.



Om welke persoon gaat het dan? Dat is altijd de DERDE PERSOON, enkelvoud of meervoud.



De jongen keek naar de tv.



De jongen kun je vervangen door hij, derde persoon enkelvoud.



De persoonsvorm staat dus in de derde persoon enkelvoud.


















De jongen en zijn vriendin keken naar de tv.



De jongen en zijn vriendin kun je vervangen door zij, derde persoon meervoud.



De persoonsvorm staat dus in de derde persoon meervoud.

















De persoonsvorm verandert van vorm in de verleden tijd. Dat gebeurt in alle talen.
Vergelijk eens de vormen van de tegenwoordige en de verleden tijd:


















NE

ik spreek / praat


ik sprak / praatte









EN

I talk


I talked










DU

ich spreche


ich sprach










FA

je parle


je parlais










LA

voco


vocabam
























De persoonsvorm verandert steeds met de persoon die erbij hoort.
In het EN gebeurt dat het minst. In het FA en het LA het meest.
Vergelijk eens de persoonsvormen in de tegenwoordige tijd:




ENGELS


DUITS


FRANS


LATIJN




1

I talk


ich komme


je travaille


voco




2

you talk


du kommst


tu travailles


vocas




3

he talks


er kommt


il travaille


vocat




1

we talk


wir kommen


nous travaillons


vocamus




2

you talk


ihr kommt


vous travaillez


vocatis




3

they talk


sie kommen


ils travaillent


vocant

















4

3

Deelwoorden
























Voltooid deelwoord

















Er zijn twee soorten deelwoorden: het voltooid en het onvoltooid deelwoord.


Een voltooid deelwoord staat in een zin met de voltooide tijd.


Het onvoltooid deelwoord geeft aan dat iemand ergens mee bezig is of dat er iets aan de gang is.


Alle talen gebruiken in de voltooide tijden een PV van hebben of zijn met een voltooid deelwoord.


De WW die helpen bij het maken van de voltooide tijden (zijn/hebben etc) zijn hulpwerkwoorden.


Tussen talen onderling zijn er verschillen, als het gaat om het gebruik van “hebben” of “zijn”.
















NE















Het voltooid deelwoord wordt gebruikt met een vorm van hebben, zijn of worden.


Het voltooid deelwoord begint vaak met ge-. Soms is dat niet het geval.



lk heb gisteren naar de tv gekeken.


Zij hebben zich tot het uiterste verdedigd.



Hij is op vakantie gegaan.


Ik heb mijn rekening betaald.

















Het voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden eindigt op een –d of op een  –t.
Het voltooid deelwoord van sterke werkwoorden eindigt op –en.



Zij hebben zich tot het uiterste verdedigd.

zwak

Ik heb mijn proefwerk niet gemaakt.



Ik heb heerlijk gezwommen.

sterk

Ik heb hard gelopen.

















Soms is het voltooid deelwoord lastig te herkennen. VD en INF zien er precies hetzelfde uit.



VD: Ik heb je SMS-je ontvangen.


Ontvangen is een voltooid deelwoord, want:





- Er staat een PV van hebben.










- Ontvangen kan je vervangen door gekregen.










- Gekregen is een voltooid deelwoord.


















INF: Ik kan je SMS-je niet ontvangen.


Ontvangen is een infinitief, want:










- Er staat geen PV van hebben.










- Ontvangen kan je niet vervangen door gekregen.










- Ik kan je SMS-je niet gekregen is geen goede zin.
















EN















Bij regelmatige werkwoorden is het VD gelijk aan de verleden tijd.


De meeste werkwoorden worden vervoegd met to have.



I lost my watch last week


I have just lost my watch



I was


I have been




NE:

ik ben geweest
















DU















Soms begint het VD net als in het NL met ge-. Bij alle WW die eindigen op –ieren is dat niet zo (spazieren - spazierte - spaziert).


Een VD van een zwak WW eindigt altijd op een -t (nooit op een -d zoals in het NL wel kan).


Een VD van een sterk WW eindigt altijd op –en.



Ich habe das nicht gemacht.

zwak

Ich habe spaziert (gewandeld).



Ich habe geschlafen.

sterk

Ich habe gerufen.
















FA















Het VD heeft voor de regelmatige werkwoorden steeds een andere vorm.


Die vorm is afhankelijk van het soort werkwoord (een ww op -er, -ir, -re of -oir).


De meeste werkwoorden worden met avoir vervoegd (ook het werkwoord zijn = être).



parler

j’ai parlé

finir

j’ai fini

rendre

j’ai rendu

recevoir

j’ai reçu



être

j’ai été (NE: ik ben geweest)
























Een VD dat met être wordt vervoegd past zich aan bij het onderwerp.



Il est arrivé.

Ils sont arrivés.

Elle est arrivée.

Elles sont arrivées.




















Onvoltooid deelwoord

NE















Het onvoltooid deelwoord wordt in het NE niet veel gebruikt.

















Een onvoltooid deelwoord maak je door achter de infinitief -d of -de te plaatsen.



Hij kwam struikelend binnen.


Hij kwam lachend binnen.
















EN















Het OD wordt in het EN vaak gebruikt.


Het OD eindigt op -ing. Deze letters zet je achter de infinitief.


Je kunt een persoonsvorm van het WW to be met het OD gebruiken.

















Deze WW-vorm geeft altijd aan dat je ergens mee bezig bent.



I am doing my homework now.



I was doing my homework when she phoned me.



She was washing her hair when I called her.
















DU















Het OD eindigt altijd op een -d.



Laufend in Amsterdam ....
















FA















In het FA wordt het OD vaak gebruikt. Het eindigt altijd op -ant.


Soms wordt het onvoltooid deelwoord voorafgegaan door het woordje en.



parler

parlant (pratend)

en parlant (al pratend)


















LA















Het LA heeft drie deelwoorden.



Roepen is vocare, stam is voca.



Stam + -ns

is het onvoltooid deelwoord

voca

vocans

roepend



Stam + -tus

is het voltooid deelwoord


voca

vocatus

geroepen



Stam + -turus

is het toekomstig deelwoord

voca

vocaturus

zullende roepen
















Het voltooid deelwoord wordt in het LA niet gebruikt voor de voltooide tijd.
Het NE, EN, DU, en FA gebruiken een vorm van “hebben”of “zijn” met een VD.



Het LA gebruikt één aparte persoonsvorm. Vergelijk maar eens.



NE

Ik heb geroepen.



EN

I have called.



DU

Ich habe gerufen.



FA

J’ai appelé.



LA

Vocavi.
















4

4

Tijden







WW kunnen allerlei tijden hebben.


De tegenwoordige of de verleden tijd bijvoorbeeld.
Aan de persoonsvorm kun je dat zien.


De voltooide tijd.
Er staat in de zin een voltooid deelwoord samen met een vorm van het hulpwerkwoord hebben of zijn.


De onvoltooide tijd.
Er staat geen vorm van het hulpwerkwoord hebben of zijn in de zin.


De toekomende tijd.
In het NE staat er een vorm van het werkwoord zullen in de zin.


Bovenstaande begrippen kunnen ook in combinaties voorkomen. Kijk hieronder bij Nederlands.
















NE















Tijden:



tegenwoordige tijden (actief)


verleden tijden (actief)



onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)

ik leer een proefwerk


onvoltooid verleden tijd (ovt)

ik leerde een proefwerk



voltooid tegenwoordige tijd (vtt)

ik heb een proefwerk geleerd


voltooid verleden tijd (vvt)

ik had een proefwerk geleerd



onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd (ottt)

ik zal een boek kopen


onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)

ik zou een boek kopen



voltooid tegenwoordig toekomende tijd (vttt)

ik zal een boek gekocht hebben


voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)

ik zou een boek gekocht hebben


















tegenwoordige tijden (passief)


verleden tijden (passief)



onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)

het proefwerk wordt door mij geleerd


onvoltooid verleden tijd (ovt)

het proefwerk werd door mij geleerd



voltooid tegenwoordige tijd (vtt)

het proefwerk is door mij geleerd


voltooid verleden tijd (vvt)

het proefwerk was door mij geleerd



onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd (ottt)

het boek zal door mij worden gekocht


onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)

het boek zou door mij worden gekocht



voltooid tegenwoordig toekomende tijd (vttt)

het boek zal door mij zijn gekocht


voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)

het boek zou door mij zijn gekocht
















EN















De onvoltooid verleden tijd van regelmatige WW maak je door -ed achter de infinitief te zetten.



I walked to school.


We crossed the Channel by boat.

















De toekomende tijd maak je met een persoonsvorm van het WW will/shall en een infinitief.



I will go to school tomorrow.

















Van onregelmatige werkwoorden leer je meestal drie hoofdvormen:



to go

went

gone


to speak

spoke

spoken
















DU















De toekomende tijd maak je in het DU met behulp van het WW werden en een infinitief.



Ich werde kommen.
















FA















Het WW heeft in het FA vijf hoofdvormen. Andere tijden worden daarvan afgeleid.


Dat geldt ook voor de onregelmatige werkwoorden. Er is steeds een strak schema.


Vaste tijden hebben vaste uitgangen voor elke persoon. Regelmatig of onregelmatig maakt niet uit.



infinitief

participe présent

participe passé

o.t.t

passé simple





tegenwoordig deelwoord

voltooid deelwoord



o.v.t.


















infinitief

marcher

uitgangen futur














ai


1

je marcherai







as


2

tu marcheras







a


3

il marchera






















ons


1

nous marcherons







ez


2

vous marcherez







ont


3

ils marcheront
















LA















Het LA heeft net als het FA hoofdtijden en daarvan afgeleide tijden.


De tijden die worden afgeleid van de hoofdtijden hebben elk aparte uitgangen (net als het FA).
















4

5

Zwakke, sterke en onregelmatige werkwoorden


Zwakke en sterke werkwoorden bestaan in het Nederlands, maar ook in het Duits.


Ze hebben ieder hun eigen kenmerken.


Daarnaast zijn er ook nog eens onregelmatige werkwoorden. Die bestaan in alle talen.
















NE

Zwakke werkwoorden










Alle zwakke werkwoorden hebben dezelfde twee kenmerken:


1. de persoonsvorm eindigt in de onvoltooid verleden tijd  op -te of op -de.


2. het voltooid deelwoord eindigt op een -t of op een -d



maken


ik maakte

ik heb gemaakt








leren


ik leerde

ik heb geleerd






















Het voltooid deelwoord van een zwak WW eindigt op een -t of op een -d. Daarvoor is een regel.
Laat de letters -en bij de infinitief weg. Kijk nu naar de laatste medeklinker.
Is dit een medeklinker uit het woord ’t k o f s c h i p x ? Voltooid deelwoord krijgt een -t.



boffen

bof

hij heeft geboft


missen

mis

gemist



beloven

belov

hij heeft beloofd


vrezen

vrez

gevreesd
















NE

Sterke werkwoorden









Alle sterke werkwoorden hebben dezelfde twee kenmerken:



1. de persoonsvorm krijgt in de onvoltooid verleden tijd een andere klinker.



2. het voltooid deelwoord eindigt op –en en soms verandert ook de klinker.



lopen


liep

ik heb gelopen








spreken

sprak

ik heb gesproken





















NE

Onregelmatige werkwoorden









Alle andere werkwoorden noemen we onregelmatig.


Sommige werkwoorden zijn gewoonweg onregelmatig.



zijn


was

ik ben geweest






















Andere werkwoorden zijn onregelmatig ook al lijkt het soms niet zo.
Ze hebben dan bijvoorbeeld maar één van de kenmerken van een zwak werkwoord.



lachen

lachte (zwak)

ik heb gelachen (sterk)





















EN



Zwakke of sterke werkwoorden bestaan in het EN niet.


Onregelmatige werkwoorden zijn er genoeg (net als in andere talen).


Werkwoorden zijn regelmatig als de verleden tijd en het voltooid deelwoord op dezelfde manier gevormd worden. Achter de infinitief zet je de letters -ed.



regelmatig:

to work

I worked

I have worked







onregelmatig:

to go

I went

I have gone




















DU















Het DU heeft alle drie de soorten werkwoorden, zwak, sterk en onregelmatig.


Bijna altijd geldt: in het NL sterk, in het DU ook sterk.
















DU

Zwakke werkwoorden









De verleden tijd eindigt op -te.  Het voltooid deelwoord eindigt op een -t.



spielen

spielte

gespielt








spazieren

spazierte

spaziert








wechseln

wechselte

gewechselt





















DU

Sterke werkwoorden









Twee kenmerken:
1. in de verleden tijd vindt klinkerverandering plaats.
2. het voltooid deelwoord eindigt op -en.



schlafen

schlief

geschlafen








rufen

rief

gerufen






















Alle andere werkwoorden zijn onregelmatig.



sein


war

gewesen





















FA















Zwakke of sterke WW bestaan in het FA niet.


De regelmatige werkwoorden kun je in drie groepen verdelen: -er, -ir, -re Maar binnen die drie hoofdgroepen zijn er genoeg onregelmatige werkwoorden.



parler

parle

j’ai parlé

finir

je finis

j’ai fini



aller

je vais

je suis allé

ouvrir

j’ouvre

j’ai ouvert
















LA















Zwakke of sterke WW bestaan in het LA niet.


Werkwoorden zijn in allerlei groepen te verdelen, conjugaties genoemd.
















4

6

Zelfstandige WW


Dit is de grootste groep werkwoorden, in welke taal dan ook.


In een zin kan maar één zelfstandig werkwoord staan. Staat er in een zin maar één werkwoordsvorm, dan is dat altijd een zelfstandig werkwoord.


Zelfstandige werkwoorden zijn altijd te vervangen door een ander werkwoord.
Kijk naar de voorbeelden in het Nederlands hieronder.



Hij blijft thuis.


Hij gaat naar school.



Hij is thuis.


Hij loopt naar school.



Hij slaapt thuis.


Hij fietst naar school.



Hij werkt thuis.


Hij neemt de auto naar school.
















4

7

Hulpwerkwoorden


Hulpwerkwoorden kunnen niet of in beperkte mate worden vervangen door een ander werkwoord.

NE















Er zijn diverse soorten hulpwerkwoorden.


De werkwoorden zijn en hebben in combinatie met een voltooid deelwoord.



Hij heeft een huis gekocht.


Ik ben naar school gegaan.

















Het werkwoord zullen is heel vaak het hulpwerkwoord voor de toekomende tijd.



Ik zal vanavond om zeven uur komen.



















Het werkwoord worden is het hulpwerkwoord van de lijdende vorm.



Hij wordt door de politie gearresteerd.



















Voorbeelden van andere hulpwerkwoorden zijn:



kunnen - mogen - moeten - willen - gaan - laten - blijken - schijnen - lijken

















EN















To be en to have zijn hulpwerkwoorden van tijd, in combinatie met een voltooid deelwoord.
Soms gebruikt het EN een ander werkwoord dan het NE:



Ik heb gekocht.





I have bought.





Ik ben gegaan.





I have gone.





Ik ben geweest.





I have been.



















Will en shall zijn HWW van de toekomende tijd. Soms laat men de eerste 2 letters weg.



Ik zal vanavond komen


I will come tonight.

I’ll come tonight.


















To be is het hulpwerkwoord van de lijdende vorm.



I am punished bij my father.


Ik word door mijn vader gestraft.
















DU















Het DU kent in het algemeen dezelfde hulpwerkwoorden als het NE.



Er ist gekommen. (sein)


Sie haben geholfen. (haben)
















FA















Avoir en être zijn de hulpwerkwoorden van tijd.


De meeste WW worden met avoir vervoegd. Soms gebruikt het FA een ander WW dan het NE.



J’ai travaillé.

Je suis allé à Paris.


J’ai été à Paris.



Ik heb gewerkt.

Ik ben naar Parijs gegaan.


Ik ben in Parijs geweest.


















In de toekomende tijd, is er in tegenstelling tot het EN en het DU, geen apart WW.
Je maakt de futur (bij regelmatige WW) door achter een infinitief bepaalde uitgangen te zetten.
Die uitgangen zijn overigens de uitgangen van het WW “avoir” in de tegenwoordige tijd.



Je travaillerai.

Tu réussiras.


Il parlera.



Ik zal werken.

Jij zal slagen.


Hij zal praten.


















Etre is ook het hulpwerkwoord voor de lijdende vorm .



Je suis puni par mon père.



Ik word door mijn vader gestraft.
















LA










Het LA gebruikt geen hulpwerkwoord. Veel tijden worden uitgedrukt door 1 aparte vorm.



Ik heb geroepen.





vocavi







Ik zal roepen.





vocabo







Ik word geroepen.





vocor




















4

8

Koppelwerkwoorden







Een koppelwerkwoord koppelt een ZNW of een BNW met een ander woord in de zin.


Het voegt iets belangrijks aan dat andere woord (het onderwerp van de zin) toe.


Het woord dat wordt gekoppeld kan een ZNW zijn, maar ook een BNW.


Als je dat ZNW of dat BNW weglaat, is de zin onvolledig.



Mijn vader is aardig.




Mijn vader is ...






Mijn vader wordt directeur.




Mijn vader wordt ...






Zij zijn aardig.




Zij zijn ...




















Bij koppelwerkwoorden hebben we te maken met een naamwoordelijk gezegde, dat bestaat uit een werkwoordelijk deel (kww en eventueel hww(en)) en een naamwoordelijk deel (zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk naamwoord).
















NE















De meest gebruikte koppelwerkwoorden in het NE zijn:



zijn

blijven


schijnen



worden

blijken


lijken


















De eerste drie komen het meest voor.
Kun je in een zin deze drie werkwoorden voor elkaar in de plaats zetten, dan heb je bijna zeker met een koppelwerkwoord te doen



Mijn vader is directeur.










Mijn vader wordt directeur.










Mijn vader blijft directeur.























EN















Het koppelwerkwoord speelt in het EN geen belangrijke rol.
















DU















De kenmerken van een koppelwerkwoord zijn dezelfde als in het NE.


Sein (zijn), werden (worden), bleiben (blijven) zijn de belangrijkste koppelwerkwoorden.



Er ist mein Bruder.

Er wird mein Freund.


Er bleibt immer mein Freund.

















Als het naarwoordelijk deel een zelfstandig naamwoord is, staat deze in dezelfde naamval als het onderwerp, de eerste naamval.
















FA















De kenmerken van een koppelwerkwoord zijn dezelfde als in het NE.


Etre (zijn) is het belangrijkste koppelwerkwoord.


Het koppelwerkwoord koppelt een ZNW of een BNW met een ander woord (het onderwerp) in de zin.
Net als in het NE voegt het iets belangrijks aan dat woord toe.
Tussen die twee woorden is er een nauwe band kun je zeggen.
Die band is zo nauw dat een BNW zich gaat aanpassen aan dat andere woord.
Het FA is samen met het LA de enige taal die dit doet.



Le garçon est grand.


La fille est grande.



Il est grand.


Elle est grande.



Les garçons sont grands.


Les filles sont grandes.



Ils sont grands.


Elles sont grandes.
















LA















Esse (zijn) is het belangrijkste koppelwerkwoord..


Het woord dat aan het andere woord in de zin gekoppeld wordt, staat altijd in de eerste naamval.



Deze man is dokter.


Hic vir medicus est.

















Als het woord, dat gekoppeld wordt, een BNW is dan past het zich aan bij het onderwerp.



De meisjes zijn blij.


Puellae laetae sunt.
















5



Voornaamwoorden






Voornaamwoorden zijn woorden die in de plaats kunnen komen van een ZNW of een groep woorden waarin het ZNW het belangrijkste woord is.



Mijn vader is directeur.


Hij is directeur.



Ik heb het boek gelezen.


Ik heb het gelezen.

















Er zijn verschillende voornaamwoorden:

Persoonlijke voornaamwoorden (PSV)