© 2016 - W. Bunnik



Grammatica theorie



GERMATIK LEZEN LUISTEREN SCHRIJVEN SPREKEN GESPREKKEN VOEREN

 Inhoudsopgave  
















 TAALKUNDIG ontleden
















1



Lidwoord





2



Zelfstandig naamwoord





3



Bijvoeglijk naamwoord





4



Werkwoorden






4

1

Infinitief







4

2

Persoonsvorm







4

3

Deelwoorden







4

4

Tijden







4

5

Zwakke werkwoorden









Sterke werkwoorden









Onregelmatige werkwoorden







4

6

Zelfstandige werkwoorden







4

7

Hulpwerkwoorden







4

8

Koppelwerkwoorden






5



Voornaamwoorden







5

1

Persoonlijke voornaamwoorden







5

2

Bezittelijke voornaamwoorden







5

3

Aanwijzende voornaamwoorden







5

4

Vragende voornaamwoorden







5

5

Betrekkelijke voornaamwoorden







5

6

Onbepaalde voornaamwoorden







5

7

Wederkerende voornaamwoorden







5

8

Wederkerige voornaamwoorden






6



Bijwoord







6

1

Voornaamwoordelijk bijwoord






7



Voorzetsel






8



Voegwoord






9



Telwoord






10



Tussenwerpsel






 















 REDEKUNDIG ontleden
















11



Onderwerp






12



Gezegde









Werkwoordelijk gezegde









Naamwoordelijk gezegde






13



Lijdend voorwerp






14



Meewerkend voorwerp






15



Zinsdelen met een voorzetsel







15

1

Voorzetselvoorwerp







15

2

Bijwoordelijke bepaling






16



Bijvoeglijke bepaling




































 Diversen
















17



Hoofd- en bijzinnen







17

1

Onderschikking en nevenschikking







17

2

Betrekkelijke bijzin







17

3

Bijvoeglijke bijzin






18



Bedrijvende en lijdende zinnen






19



Zinsvolgorde






20



Zinsvolgorde vragende zinnen




































Uitgangspunt van dit overzicht is een bestand dat ik jaren geleden ergens gevonden heb. Ondanks verwoede pogingen is het mij niet gelukt het origineel terug te vinden.































 Ontleden

















Als je een zin ontleedt, doe je eigenlijk niets anders dan hem in stukken verdelen. Je haalt hem uit elkaar. Dat kun je op twee manieren doen:

















Taalkundig ontleden






Je haalt een zin helemaal uit elkaar, woord voor woord. Elk apart woord geef je een naam. Dat noemen we taalkundig ontleden. Bij taalkundig ontleden praten we over woordsoorten.


Redekundig ontleden






Je kunt een zin ook op een andere manier uit elkaar halen. Je kijkt dan niet meer naar elk woord apart. Je kijkt naar delen van de zin, die bij elkaar horen en die een bepaalde functie in de zin hebben. Bij redekundig ontleden praten we over zinsdelen.































 Afkortingen


















LW



Lidwoord






BLW


Bepaald lidwoord






OLW


Onbepaald lidwoord





ZNW



Zelfstandig naamwoord





BNW



Bijvoeglijk naamwoord





WW



Werkwoord






ZWW


Zelfstandig werkwoord






HWW


Hulpwerkwoord






KWW


Koppelwerkwoord





















PV


Persoonsvorm






VDW


Voltooid deelwoord






ODW


Onvoltooid deelwoord






INF


Infinitief





















OTT


Onvoltooid tegenwoordige tijd






OVT


Onvoltooid verleden tijd






VTT


Voltooid tegenwoordige tijd






VVT


Voltooid verleden tijd





VNW



Voornaamwoord






PSV

Persoonlijk voornaamwoord






BZV

Bezittelijk voornaamwoord






AV

Aanwijzend voornaamwoord






VRV

Vragend voornaamwoord






BTV

Betrekkelijk voornaamwoord






OV

Onbepaald voornaamwoord






WV

Wederkerend voornaamwoord






WGV

Wederkerig voornaamwoord





BW



Bijwoord






VNB

Voornaamwoordelijk bijwoord





VZ



Voorzetsel





VGW



Voegwoord





TELW


Telwoord

































 Allerlei


















m / m


mannelijk





v / w


vrouwelijk





o / s


onzijdig





mv / Mz


meervoud




















DU


Duits





EN


Engels





FA


Frans





LA


Latijn





NE


Nederlands

































 Klinkers en medeklinkers

















Woorden bestaan uit klinkers en medeklinkers.


De klinkers zijn: aeiouy.


Alle andere letters uit ons alfabet noemen we medeklinkers.

In diverse moderne vreemde talen is het van belang om te letten op woorden die met een klinker beginnen.

















FA















De ‘h’, klinker of medeklinker?
De h is eigenlijk een medeklinker. In het Frans wordt hij wel geschreven, maar nooit uitgesproken.
Toch is er verschil.

De h kan toonloos zijn, stom zeggen we dan. Je doet in dit geval net alsof hij er helemaal niet staat en het ZNW met een klinker begint.


Een h kan echter ook stemhebbend zijn (aspiré, zeggen de Fransen dan). In woordenboeken worden ZNW die beginnen met een stemhebbende h op een aparte manier vermeld. Elk woordenboek doet dat jammer genoeg op een andere manier (soms wordt de h voorafgegaan door een •, soms wordt de h schuingedrukt). Bij deze ZNW doe je net alsof het woord met een medeklinker begint.




gewoonte is


habitude, een stomme h


dus l'habitude



hoogte is


•hauteur, een stemhebbende h


dus la hauteur






hauteur, een stemhebbende h


dus la hauteur































 Naamvallen in het Duits en het Latijn

















In het Nederlands kennen we geen naamvallen meer. Vroeger hadden we die wel. Een enkele daarvan is nog blijven bestaan. Bijvoorbeeld in een uitdrukking als de heer des huizes.


In het Duits en het Latijn bestaan er echter wel naamvallen. Het Duits heeft er vier, het Latijn heeft er zelfs zes.


Bij het redekundig ontleden verdelen we de zin in zinsdelen. Al die zinsdelen hebben een naam: onderwerp, meewerkend voorwerp, lijdend voorwerp, etc..


Het Duits en het Latijn laten door de manier waarop een woord geschreven wordt, altijd heel goed zien welke functie een zinsdeel in de zin heeft.


Een ZNW dat onderwerp is, wordt bijvoorbeeld anders geschreven dan een ZNW dat lijdend voorwerp is.

De lidwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en voornaamwoorden die bij zo’n woord horen doen dat ook en passen zich aan bij het ZNW.


In het woordenboek vinden we altijd de vorm van het woord zoals die is in de eerste naamval.


Het veranderen van vorm noemen we ook wel vervoegen.
















DU
















De vier naamvallen van het Duits zijn:




1

Het onderwerp



eerste naamval

der Nominativ


2

Het bezit ergens van ("van" zonder "von")

tweede naamval

der Genitiv


3

Het meewerkend voorwerp



derde naamval

der Dativ


4

Het lijdend voorwerp



vierde naamval

der Akusativ



Veel woorden in de zin krijgen door die naamvallen een andere vorm.

     

Die vorm kan ook nog eens veranderen al naar gelang een woord enkelvoud of meervoud is.


Die vorm kan ook nog eens veranderen omdat het ZNW mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is.


Die vorm kan tenslotte veranderen wegens een VZ of een WW waar een naamval bij hoort.
















LA
















De zes naamvallen van het Latijn zijn:




1

Het onderwerp



nominativus


2

Het bezit ergens van


genitivus


3

Het meewerkend voorwerp



dativus


4

Het lijdend voorwerp



accusativus


5

De bijwoordelijke bepaling



ablativus


6

De aanspreekvorm



vocativus (meestal gelijk aan de nominativus)



Veel woorden krijgen door die naamvallen een andere vorm.



Die vorm kan ook nog eens veranderen al naar gelang een woord enkelvoud of meervoud is.



Die vorm kan ook nog eens veranderen omdat allerlei woorden op een bepaalde manier worden vervoegd of verbogen. Voor ZNW, BNW, VNW en TELW zijn er 5 groepen, vijf manieren om woorden te vervoegen.































 Taalkundig ontleden

















Bij taalkundig ontleden haal je, zo stond al in de inleiding, een zin helemaal uit elkaar, woord voor woord. Bij taalkundig ontleden hebben we het over woordsoorten. Je komt immers steeds verschillende soorten woorden tegen.


Elk apart woord kun je een naam geven. We zeggen ook wel: je kunt elk woord benoemen.


Bij het taalkundig ontleden kom je in het Nederlands tien verschillende "hoofdsoorten" tegen.

We hebben het dan bijvoorbeeld over een lidwoord, een zelfstandig naamwoord, een werkwoord, een voornaamwoord.


Sommige van die "hoofdsoorten" kunnen we ook nog eens onderverdelen. Zo zijn er bijvoorbeeld een groot aantal verschillende voornaamwoorden. We kennen bijvoorbeeld een vragend voornaamwoord, een betrekkelijk voornaamwoord en een persoonlijk voornaamwoord.

















Voorbeeld: benoem de schuingedrukte woorden:


In (VZ) de stad (ZNW) moet je (PSV) bijna overal betalen, als je je (BZV) auto wil parkeren.














































1



Lidwoord
















LW kunnen nooit alleen gebruikt worden. In een zin worden ze altijd samen met ZNW gebruikt.


Het Latijn kent in tegenstelling tot de andere talen geen LW.


Er zijn bepaalde lidwoorden (BLW) en onbepaalde lidwoorden (OLW).

Een BLW geeft aan dat het om één persoon of één bepaald ding gaat.

Een OLW geeft aan dat het om een willekeurige persoon of een willekeurig ding gaat.
















NE















De en het zijn de BLW.

de man – de vrouw – de jongen

het meisje – het boek – het land – het jongetje



Een is het OLW, maar alleen als je het kan uitspreken als ‘n.

Een is een telwoord als je het als één uitspreekt.

een man – een vrouw – een jongen – een camera – een televisie

een meisje – een boek – een land – een jongetje



De is het enige lidwoord dat we in het meervoud gebruiken.

de man – de mannen                             het meisje – de meisjes



Het kan in een zin soms toch alleen gebruikt worden, zonder ZNW. In dat geval is het geen lidwoord.

Hij heeft het niet gedaan.       Het heeft gisteren verschrikkelijk hard geregend.




PSV

Ov
























EN















In het EN zijn er twee lidwoorden


the, het BLW.


a of an, het OLW an gebruik je voor woorden die met een klinker beginnen.



the man  the woman  a man   an old man, an accent.
















DU














Het DU heeft ZNW die mannelijk, vrouwelijk of onzijdig zijn


Het lidwoord, bepaald en onbepaald, heeft voor elk van die woorden een andere vorm.


In het meervoud heeft het BLW één vorm (voor mannelijk, vrouwelijk en onzijdig).







Enkelvoud


Meervoud







Bepaald lidwoord mannelijk

der

der Mann

die

die Männer






Bepaald lidwoord vrouwelijk

die

die Frau

die

die Frauen






Bepaald lidwoord onzijdig

das

das Kind

die

die Kinder







Onbepaald lidwoord mannelijk

ein*

ein Mann

keine*

keine Männer






Onbepaald lidwoord vrouwelijk

eine*

eine Frau

keine*

keine Frauen






Onbepaald lidwoord onzijdig

ein*

ein Kind

keine*

keine Kinder










*Je kunt van "ein(e)" geen meervoud maken, daarom gebruiken we voor het gemak "kein(e)"!




















Het DU heeft bovendien vier naamvallen. Zo krijg je dan het volgende schema:




Bepaald lidwoord



Onbepaald lidwoord






m/m

v/w

o/s

mv/Mz



m/m

v/w

o/s

mv/Mz





1

der

die

das

die


1

ein

eine

ein

keine





2

des

der

des

der


2

eines

einer

eines

keiner





3

dem

der

dem

den


3

einem

einer

einem

keinen





4

den

die

das

die


4

einen

eine

ein

keine





NE

de

de

het

de



een

een

een

geen




 














FA















Het FA heeft ZNW die mannelijk of vrouwelijk zijn.


Het lidwoord, bepaald of onbepaald, heeft voor elk van die woorden een andere vorm.


Het BLW heeft in het meervoud één vorm (voor mannelijk en vrouwelijk).


Het BLW le of la wordt als l’ geschreven voor woorden die met een klinker of een stomme h beginnen.



Bepaald lidwoord mannelijk

le

le livre









Bepaald lidwoord vrouwelijk

la

la femme









Bepaald lidwoord meervoud

les

les livres, les femmes









Bepaald lidwoord voor stomme h, mannelijk of vrouwelijk

l'

l’homme, l’ami, l’amie







Onbepaald lidwoord mannelijk

un

un homme









Onbepaald lidwoord vrouwelijk

une

une femme























Het FA is de enige taal die voor het OLW een meervoud heeft. Dit lidwoord noemen we het delend lidwoord.



NE

een kind


kinderen










EN

a child


children










DU

ein Kind


Kinder










FA

un enfant


des enfants























2



Zelfstandig naamwoord





















ZNW zijn woorden voor:









mensen

man, vrouw, jongen


dingen

auto, televisie


dieren

hond, leeuw


abstracte begrippen

zo noemen we dingen die je niet met je handen kan aanraken, zoals: liefde, oorlog, tevredenheid


eigennamen

Jan, Berlijn, Engeland, Peugeot, Volkswagen


(soms) hele werkwoorden

eten, drinken

















Kenmerkend voor ZNW is:





je kunt ze meestal in het meervoud zetten.





je kunt er een lidwoord voor zetten.





je kunt er vaak een verkleinwoord van maken.




















ZNW hebben een geslacht. Dat wil zeggen ze kunnen:






mannelijk zijn.








vrouwelijk zijn.








onzijdig zijn.






















NE















Het verschil tussen mannelijk en vrouwelijk is voor de meeste Nederlanders niet duidelijk meer. Mannelijke en vrouwelijke ZNW worden altijd met het lidwoord de gebruikt.



de man

de vrouw


























Onzijdige ZNW worden gebruikt met het lidwoord het. Verkleinwoorden zijn altijd onzijdig.



het huis

de hond

het hondje

de jongen

het jongetje



















Het meervoud wordt meestal gevormd door achter het enkelvoud een s of en te zetten.

Soms krijgen ZNW in het meervoud een klinkerverandering.

Soms verdwijnt er zo maar een klinker.

Soms wordt de medeklinker aan het eind verdubbeld of hij verandert.




één tafel

twee tafels



één boek

twee boeken






één stad

twee steden












één doos

twee dozen












één tas

twee tassen


























Sommige ZNW komen alleen in het enkelvoud voor. Eigennamen en hele werkwoorden, gebruikt als ZNW, zijn hier voorbeelden van.



het zand

Jan

Duitsland

het eten






















Sommige ZNW komen alleen in het meervoud voor.



de kosten

de onkosten

de hersenen
























Verkleinwoorden eindigen in het Nederlands altijd op –je. Soms verandert het ZNW ook voor –je.



de tas

het tasje

het ding

het dingetje








de naam

het naampje

de baan

het baantje





















EN















Mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is van minder belang dan bij andere talen.


Het meervoud vorm je door een s achter het ZNW te zetten. Er zijn uitzonderingen!



the book

the books

the car

the cars

the foot

the feet


















Het meervoud van woorden met een sis-klank aan het eind maak je in het EN door er -es achter te zetten.



the match

the matches

the bus

the buses






















Verkleinwoorden zijn er bijna niet. Meestal gebruikt men het BNW small of little.



het jongetje

the little boy

een riviertje

a small river





















DU














Het DU schrijft alle ZNW met een HOOFDLETTER.



der Mann

die Frau

das Kind
























Het DU heeft ZNW die mannelijk, vrouwelijk of onzijdig zijn. Het lidwoord heeft voor elk van die woorden een andere vorm.


De meervoudregels zijn in het DU niet gemakkelijk. Gebruik een (online) woordenboek als je niet zeker bent (www.uitmunten.de is uitstekend).


Verkleinwoorden zijn, net als in het NE, onzijdig. Zij eindigen op -chen of -lein. De klinker in de lettergreep ervoor krijgt een Umlaut).



der Hund

das Hündchen

das Hündlein























FA















Het FA heeft ZNW die mannelijk of vrouwelijk zijn.

Het lidwoord heeft voor elk van die woorden een andere vorm.

Soms zijn ZNW zowel mannelijk als vrouwelijk, de betekenis verandert dan.



le tour = de ronde, de beurt


le Tour de France








la tour = de toren


la Tour Eiffel






















ZNW krijgen vaak een s in het meervoud. Maar er zijn ook andere regels.



la maison

les maisons


MAAR:

le nez

les nez

l'animal

les animaux

















Verkleinwoorden zijn er bijna niet. Meestal gebruik je het BNW petit (klein).



het jongetje

le petit garçon


























In het meervoud hebben sommige woorden een andere betekenis.



le devoir = de plicht

les devoirs = het huiswerk










la vacance = de vacature

les vacances = de vakantie






















LA















ZNW hebben geen lidwoord. Het LA kent dit woord gewoonweg niet.


ZNW kunnen mannelijk, vrouwelijk, onzijdig, enkelvoud of meervoud zijn.


ZNW hebben een naamval (er zijn er 6). Elke naamval kan een andere uitgang krijgen.


Het krijgen van een andere naamval heet verbuigen of declineren.


Er zijn 5 verschillende manieren van verbuigen: vijf declinaties.



Een declinatie: ZNW die eindigen op een -a, bijvoorbeeld puella = meisje.





enkelvoud


meervoud








nominativus


puella


puellae








genitivus


puellae


puellarum








dativus


puellae


puellis








accusativus


puellam


puellas








ablativus


puella


puellis








vocativus


puella


puellae





















3



Bijvoeglijk naamwoord





















Een BNW zegt altijd iets over een ZNW. Daarom staat een BNW in het NE heel vaak voor een ZNW.


Maar, een BNW kan ook ergens anders in de zin staan. Het zegt dan nog steeds iets over het ZNW dat ergens anders in de zin staat.

















NE















Als een BNW rechtstreeks bij een ZNW staat, dan zet het NE het bijvoeglijk naamwoord altijd vóór het ZNW. Opvallend is dat achter het BNW in dat geval vaak een e komt te staan.



het leuke boek

de leuke boeken


het mooie huis

maar: een mooi huis






de mooie film

de mooie films

























Het BNW kan ook een stuk verderop in de zin staan. In de zin staat dan heel vaak het werkwoord zijn of worden. Opvallend is dat het BNW dan geen e krijgt.



het boek is leuk



de boeken die ik gelezen heb, zijn leuk



de film is mooi



de films die ik in de bioscoop zag, zijn mooi

















BNW die een stof of een materiaal aangeven, eindigen op en.



het gouden horloge


de houten deur


het stenen huis



















BNW hebben een vergrotende trap. We zetten er dan meestal -er achter.
Eindigt het BNW op een medeklinker, dan verdubbelt die medeklinker.



het boek is leuk


het boek is leuker


de film is mooi


de film is mooier



de weg is glad


de weg is gladder





















BNW hebben een overtreffende trap. We zetten er meestal -ste achter.
Als zo’n woord verderop in de zin staat dan zetten we er ook nog eens de of het voor.



het leuke boek


het leukste boek



de film is mooi


de film is de mooiste die ik ooit heb gezien

















Soms zijn de vergrotende en de overtreffende trap onregelmatig.



goed

beter

best


veel

meer

meest


graag

liever

liefst


















EN















Het BNW verandert eigenlijk nooit en staat bijna altijd voor het ZNW.



the old book


the old books


the book is old


the books are old


















Vergrotende trap: BNW + -er


Overtreffende trap: BNW + -est



Dit geldt ook voor BNW met 2 lettergrepen, met de klemtoon op de laatste lettergreep en
BNW die eindigen op –ow, -le,- -er, -some.



tall

taller

tallest


small

smaller

smallest



polite

politer

politest


narrow

narrower

narrowest

















Andere BNW vormen de trappen van vergelijking met more en the most.



beautiful


more beautiful


the most beautiful





















Vergrotende en overtreffende trappen zijn voor sommige woorden onregelmatig.



good

better

best


























DU














Het BNW staat voor het ZNW en past zich aan in geslacht, enkelvoud of meervoud en in naamval.



Der alte Mann ist krank.

alt wordt alte (1e naamval mannelijk, enkelvoud)



Ich sehe den alten Mann.

alt wordt alten (4e naamval mannelijk, enkelvoud)

















BNW niet direct voor een ZNW, maar verderop in de zin: het BNW verandert niet.



Der kranke Mann


maar


Der Mann ist krank.





















Vergrotende trap: zet -er of -r achter het BNW. BNW met één lettergreep? Gebruik een Umlaut.



alt

älter



interessant

interessanter






















Overtreffende trap: zet -est of -st achter het BNW. BNW met één lettergreep? Gebruik ook een Umlaut.



alt

ältest



interessant

interessantest





















4



Werkwoorden





















WW geven aan wat iemand doet of wat er gebeurt.


WW hebben verschillende vormen. Er zijn (in het NE) drie hoofdvormen.


WW hebben verschillende tijden.


WW kunnen sterk, zwak of onregelmatig zijn.


Er zijn ZWW, HWW en KWW.

















NE















In het NE zijn er drie hoofdvormen van het WW:


de infinitief (het hele werkwoord)


de persoonsvorm


het deelwoord.

















4

1

Infinitief