© 2016 - W. Bunnik


Literatuurgeschiedenis


Frühes Mittelalter (750-1170)


De literatuur uit deze periode bestaat hoofdzakelijk uit religieuze teksten. Maar er zijn ook resten van de oudgermaanse dichtkunst bewaard gebleven zoals de Merseburger Zaubersprüche en het Hildebrandslied. In dit laatste wordt het gevecht tussen een vader en zijn zoon (die zijn vader niet herkent) beschreven. Het slot ontbreekt, maar uit andere bronnen weten we dat de zoon gedood wordt. De germaanse heldenliederen liepen meestal tragisch af. Een formeel kenmerk is de stafrijm (alliteratie).



Hohes Mittelalter (1170-1300)


Naast de geestelijke dichtkunst ontwikkelt zich onder invloed van het opkomende ridderdom een wereldlijke dichtkunst. Kenmerkend daarvoor zijn de ridderlijke deugden: trouw, moed en zin in avontuur.

Hoofdvertegenwoordigers zijn:

Hartman von Aue (ca. 1160 – ca. 1220) met Erec en Iwein

Wolfram von Eschenbach (ca. 1170 – ca. 1220) met Parzival

Gottfried von Strassburg (ca. 1160 – ca. 1210) met Tristan und Isolde

Het Nibelungenlied, waarvan de schrijver onbekend is, ademt nog geheel de oudgermaanse geest.

De grootste dichter van minneliederen is Walter von der Vogelweide (ca. 1168 – ca. 1228).



Spätes Mittelalter (1300 – 1550)


Door de ontwikkeling van de geldeconomie en de ontdekking van het buskruit verliest het ridderdom aan invloed en wordt het burgerdom belangrijk. De dichtkunst wordt ‘volkskunst’: Volkslied en Meistergesang. Het meest belangrijk uit deze periode is Hans Sachs (1494-1576) met zijn kluchten en vastenavondspelen.



Renaissance, Humanismus, Reformation (1470-1600)


De mens wordt zich bewust van zijn eigen verantwoordelijkheid en ziet de kerk niet meer als enige autoriteit. Wetenschap en ontdekkingsreizen verbreden de horizon van de mens. Men ontdekt de cultuur van de oudheid weer.

Op geestelijk en taalkundig gebied zijn de hervormingen van Martin Luther (1483-1546) doorslaggevend.

Der Ackermann aus Böhmen (ca. 1400) van Johann von Tepl (ca. 1350 – ca. 1414) ziet men algemeen als eerste werk van deze periode.



Barock (1600-1700)


Deze periode kenmerkt zich door haar tegenstellingen: enerzijds een enorme levensvreugde en anderzijds het zich bewust zijn van de vergankelijkheid der dingen. Deze geesteshouding wordt beïnvloed door de godsdienstoorlogen (Dertigjarige oorlog 1618-1648) en de pestepidemieën.

Belangrijke vertegenwoordigers zijn:

A. Gryphius (1616-1664), H.J.Ch. von Grimmelshausen (1622-1676) met zijn schelmenroman Der abenteurliche Simplizissimus (1669)



Aufklärung (1700-1780)


Het credo van deze stroming is: sapere aude! (durf je eigen verstand te gebruiken). De mens moet mondig worden door zich te laten leiden door zijn eigen geweten en niet door traditionele denkwijzen en de kerk. Men is optimistisch: alles is leerbaar en scholing leidt tot een moreel beter handelend mens. Dit optimisme werd gevoed door de stelling van Leibniz (1646-1716): dat wij op de beste van alle denkbare werelden leven. (Hiermee dreef Voltaire in zijn ‘Candide’ de spot.)

De belangrijkste filosoof in deze tijd is Immanuel Kant (1772-1804). Volgens hem is de Aufklärung (Verlichting) het ‘uitstijgen boven de staat van onmondigheid die de mens aan zich zelf te wijten heeft’. Hij keert zich tegen elk dogmatisme (ook van de Aufklärung) en onderzoekt in zijn geschriften zowel de mogelijkheden als de grenzen van het menselijk verstand. Het begin van de Aufklärung staat nog sterk onder invloed van het Franse classicisme met als hoofdvertegenwoordiger J. Ch. Gottsched (1700-1766).

Eén van de bekendste schrijvers is G.E. Lessing (1729-1781). In zijn werken spelen humaniteit en tolerantie een beslissende rol. Voorbeeld hiervan is de ‘Ringparabel’ uit zijn toneelstuk Nathan der Weise: een ring, waaraan de kracht wordt toegeschreven zijn drager een goed mens te laten zijn, wordt steeds door de vader aan die zoon nagelaten, van wie hij het meeste houdt. Een vader die drie zonen heeft, die hem alle drie even lief zijn, laat twee duplicaten maken en geeft elke zoon een ring. Niemand weet meer welke de oorspronkelijke is. De zonen betwisten de echtheid van elkaars ringen en stappen naar de rechter. Deze bepaalt dat hun handelen moet uitwijzen wie de bezitter van de echte ring is. (Met de ringen bedoelde Lessing de drie wereldgodsdiensten: jodendom, christendom en islam.)

Met het toneelstuk Miss Sara Sampson (1755) heeft hij de eerste burgerlijke tragedie in Duitsland geschreven.



Empfindsamkeit, Pietismus (1740-1780)


De eenzijdige nadruk die op het verstand werd gelegd voelde men al gauw als onbevredigend en men liet weer meer het gevoel spreken. Zo ontstonden onder invloed uit Engeland (Sterne en Young) en de middeleeuwse mystiek twee stromingen. die men Empfindsamkeit en Pietismus heeft genoemd. Belangrijkste vertegenwoordigers van deze stromingen zijn M. Claudius (1740-1815) en F.G. Klopstock (1724-1803).



Sturm und Drang (1767-1785)


Deze stroming, plus de daaropvolgende Klassik en Romantik, worden door één kunstenaar gedomineerd, namelijk door Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832). Hij had zo’n grote invloed op de periode van 1770 tot 1832, dat men ook wel spreekt van de ‘Geist der Goethezeit’. De naam van de stroming werd ontleend aan een toneelstuk van M. Klinger, dat eerst Der Wirr-Warr heette, maar door een tijdgenoot omgedoopt werd tot Sturm und Drang.

Behalve dat men de nadruk legt op gevoel en de voorkeur geeft aan natuur boven cultuur (onder invloed van Rousseau), is het idee van de vrijheid doorslaggevend. Niet alleen vrijheid op politiek en godsdienstig gebied, maar vooral in het persoonlijke leven. De mens moet zich vrij en ongehinderd kunnen ontwikkelen. Vooral voor de kunstenaar geldt dat hij zonder gebruikmaking van regels, maar door zijn originaliteit, zijn genie, een kunstwerk tot stand moet laten komen. Het grote voorbeeld wordt Shakespeare, die door J.G. Herder (1744-1803) vertaald werd. Volgens Herder is kunst en poëzie niet het bezit van de geleerden (zoals men in de Aufklärung meende), maar van het gehele volk. Ware en natuurlijke poëzie vindt men volgens hem bij Homerus, Shakespeare en in het volkslied. Hierdoor worden nationale gevoelens aangewakkerd. De Sturm und Drang bestaat uit een groep voornamelijk jonge kunstenaars, die zich verzet tegen de willekeur van de vorsten (zonder direct revolutionair te willen zijn) en tegen maatschappelijke conventies.

J.W. von Goethe (1749-1832): Götz von Berlichingen (1773), het verhaal van de ruwe, maar oprechte en trouwe ridder Götz, die het slachtoffer wordt van intriges en verraad. Clavigo (1774), een verhaal waarin een trouweloze minnaar de dood vindt aan het graf van zijn geliefde.

F. Schiller (1759-1805): Die Räuber (1781), broedertwist. Franz maakt zijn oudere broer Karl zwart bij hun vader, waarna Karl de (‘edele’) leider wordt van een roversbende. Hij komt tot inkeer en levert zich over aan het gerecht. Kabale und Liebe (1784), tragische liefdesrelatie tussen een adellijke jongeman en een meisje van burgerlijke afkomst.

Andere belangrijke werken zijn o.a.: Die Zwillinge (1776) van M. Klinger (1752-1831) en Die Soldaten (1776) van J.M.R. Lenz (1751-1792).

Naast de min of meer heldhaftige figuren uit bovenstaande werken, kent men in de Sturm und Drang (onder invloed van de Empfindsamkeit) de zwakke held, die speelbal is van zijn stemmingen (‘himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt’) en zich overgeeft aan zelfmedelijden en melancholie (‘Weltschmerz’). Zo’n type is de hoofdfiguur uit de briefroman Die Leiden des jungen Werther (1774) van Goethe. Deze sterk autobiografische roman gaat over een driehoeksverhouding tussen Lotte, Albert en de zeer gevoelige Werther. Lotte en Albert zijn verloofd, en gebukt gaand onder de uitzichtloosheid van zijn liefde pleegt Werther zelfmoord.

Geliefd thema in deze periode is ook de tragiek van de ongehuwde moeder, die onder druk van de maatschappelijke opvattingen haar kind vermoordt en daarna zelf veroordeeld wordt. Voorbeeld hiervan zijn Die Kindermörderin (1776) van H.L. Wagner (1747-1779) en de Gretchentragödie uit de Faust I van Goethe.



Klassik (1786-1805)


Deze stroming kan men als een synthese van Aufklärung en Sturm und Drang zien. Het doel is een harmonie te vinden tussen verstand en gevoel, tussen wat men moet doen (Pflicht) en wat men wil doen (Neigung). Centraal staat het ideaal van de ‘allesverzoenende menselijkheid’, de humaniteit. De hoogste vorm van vrijheid vindt de mens daarin, dat hij zichzelf grenzen stelt (In der Beschränktheit zeigt sich der Meister). De filosofische basis voor dit idealisme vormen de werken van I. Kant (1724-1804). In zijn Kritik der reinen Vernunft (1781) twijfelt hij eraan of het wel mogelijk is de werkelijkheid te zien zoals deze ook is (das Ding-an-sich). In Kritik der praktischen Vernunft (1788) stelt hij, dat de mens zijn handelen vrijwillig moet onderwerpen aan een zedelijke norm (kategorischer Imperativ). In Kritik der Urteilskraft (1790) ontvouwt Kant zijn ideeën op het gebied van de esthetica, waarin hij de Griekse kunst tot ‘eeuwig’ voorbeeld stelt.

Ook J.J. Winkelmann (1717-1768) draagt met zijn kwalificatie van de Griekse kunst als ‘edle Einfalt und stille Größe’ ertoe bij, dat men in haar de hoogst bereikbare vorm van kunst ziet.

Deze periode wordt door twee schrijvers gedragen: J.W. von Goethe (1749-1832) en F. Schiller (1759-1805). Hun vriendschap duurde van 1794 tot de dood van Schiller in 1805 en was voor beiden zeer vruchtbaar. Door hun werken beleefde de Duitse literatuur rond 1800 een hoogtepunt.

Het meest bekende werk van Goethe is ongetwijfeld Faust (deel I, 1806; deel II, 1831), waar hij zijn hele leven aan gewerkt heeft. Hoofdfiguur is de geleerde Faust, die door zijn niet te stillen honger naar kennis een verbond met de duivel aangaat. Als zijn honger gestild is en hij de woorden ‘Verweile Augenblick, du bist so schön’ zegt, zal zijn ziel aan de duivel Mephisto vervallen. Gretchen, een jong onschuldig meisje voor wie Faust, na een verjongingskuur, liefde heeft opgevat, wordt slachtoffer van dit pact (Gretchentragödie). Faust houdt stand en in het tweede (moeilijk te interpreteren) deel vindt hij verlossing (‘Wer immer strebend sich bemüht, den können wir erlösen’).

Naast vele gedichten en ballades schreef Goethe nog de volgende belangrijke werken van de klassieke periode:

Iphigenie auf Tauris (1787), een toneelstuk dat hij in 1779 in proza schreef en na zijn plotselinge reis naar Italië (in 1786) in verzen heeft herschreven. In dit werk vindt het humaniteitsideaal zijn hoogtepunt.

Egmont (1788) behandelt het tragische lot van de Nederlandse vrijheidsstrijder graaf van Egmont.

Torquato Tasso (1790) toont deze Italiaanse dichter in het spanningsveld van zijn kunstenaarschap en zijn omgeving. Behalve deze toneelstukken voltooide Goethe ook nog een roman: Wilhelm Meisters Lehrjahre (1795).

Schiller had als historicus een voorliefde voor historische thema’s, getuige zijn toneelstukken Wallenstein (1798), Maria Stuart (1800) en Die Jungfrau von Orleans (1801). Zijn bekendste toneelstuk is Wilhelm Tell (1804), dat de niet-historische Tell, een Zwitserse vrijheidsheld, tot onderwerp heeft. Schiller is in zijn werken (ook in de gedichten) meer belerend, moraliserend dan Goethe. Zijn opvoedkundige bedoelingen springen meer in het oog.

Twee schrijvers die men noch bij de Klassik, noch bij de volgende stroming de Romantik kan indelen, zijn F. Hölderlin (1770-1843) en H. von Kleist (1777-1811). Hölderlin was een groots dichter, die zijn vormvoorbeelden uit de Griekse literatuur haalde. Tragisch is dat hij meende het oude Griekenland in zijn tijd te kunnen laten herleven, een streven dat tot zijn krankzinnigheid leidde.

Heinrich von Kleist is eveneens een tragische figuur. Hij schreef schitterende verhalen en toneelstukken in een zeer bijzondere stijl. Maar in zijn tijd oogstte hij niet het succes dat hij verwachtte en dat leidde, mede door de studie van de filosofie van Kant (kategorischer Imperativ), tot zelfmoord in 1811.



Romantik (1785-1830)


De romantiek is een vlucht uit de werkelijkheid, een zoeken naar het oneindige, een hunkeren naar het onbereikbare. Gevoel en fantasie zijn de sleutelwoorden. Men idealiseert de middeleeuwen als een tijd waarin de mensen gelukkiger leefden, meer verbonden waren met de natuur. De romanticus ziet de natuur als een spiegel van zijn innerlijk, zij heeft een magische invloed op de mens. Geliefde genres zijn het sprookje, de novelle en de lyriek.

De vroege romantiek is meer theoretisch ingesteld met schrijvers als Novalis (1772-1801) en L. Tieck (1773-1853). De latere romantiek is veel productiever. Er worden sprookjes verzameld door A. von Arnim (1781-1831) en C. von Brentano (1779-1842) onder de titel Des Knaben Wunderhorn (1806) en door de gebroeders Grimm (Jacob, 1785-1863 en Wilhelm, 1786-1859) worden de nu wereldberoemde Kinder- und Hausmärchen (1812) uitgegeven.

J. von Eichendorf (1788-1857) schreef het meest gelezen werk uit de romantiek, Aus dem Leben eines Taugenichts (1826).

Een markant schrijver is E.T.A. Hoffmann (1776-1822). In zijn verhalen en romans wordt de mens door demonische krachten geleid en verleid. Zijn werk was van grote invloed op de Amerikaanse schrijver E.A. Poe. Das Fräulein von Scudérie (1819) is een soort detectiveverhaal over een goudsmid, die zijn opdrachtgevers vermoordt, omdat hij geen afstand kan doen van zijn werkstukken. Die Elixiere des Teufels (1815) is het verhaal van een monnik, die door zijn hartstocht een misdadiger wordt.

Na de Romantik zijn er twee stromingen: Biedermeier en Das junge Deutschland genoemd. De dichters koesteren nog de ideeën en opvattingen van de Klassik en Romantik en houden zich afzijdig van de realiteit. Vertegenwoordigers van Biedermeier (1820-1850) zijn o.a. A. von Droste-Hülshoff (1797-1848), F. Grillparzer (1791-1872), E. Mörike (1804-1875) en A. Stifter (1805-1868).

De vertegenwoordigers van Das Junge Deutschland (1830-1850) zijn politiek geëngageerde jonge schrijvers, die zich tegen de gevolgen van het Wener congres (1815), waar de oude machtsverhoudingen in ere hersteld werden, keren. Geïnspireerd door de Julirevolutie van 1830 in Parijs, keert men zich tegen iedere vorm van onderdrukking en beknotting. Men eist een grondwet en vrijheid van meningsuiting en neemt de strijdkreten van de Franse Revolutie (liberté, egalité et fraternité) over.

Heinrich Heine (1797-1856) is bekend geworden door zijn romantische gedichtenbundel Buch der Lieder (1827), waarin Die Lorelei. Zijn latere werk en het feit dat hij zich in 1831 in Parijs vestigde om de censuur te ontlopen, maakten dat hij in Duitsland geliefd werd. In zijn reisverhalen (Die Harzreise, 1826; Deutschland, Ein Wintermärchen, 1844) geeft hij onverholen kritiek op personen en sociale en politieke misstanden. Maar ondanks die kritiek heeft hij in zijn werk steeds zijn liefde voor Duitsland laten blijken.

Een echte revolutionair is Georg Büchner (1813-1837). Als student was hij lid van een radicale vrijheidsbeweging. In zijn Der Hessische Landbote (1834) komt hij op voor de onderdrukten in Hessen en moet, om aan arrestatie te ontsnappen, naar Straatsburg vluchten. Daar studeert hij af. Verdere werken zijn Dantons Tod (1835), drama van een Franse revolutionair, die gelaten zijn einde aanvaardt. Woyzeck (1837), het eerste sociale drama in de Duitse literatuur en Lenz (1839), een verhaal over de Sturm und Drang-dichter J.M.R. Lenz (1751-1792), die aan een geestesziekte overleed.



Poetischer Realismus (1850-1890)


De voortschrijdende industrialisering en verdere ontwikkeling van de techniek vergroten de welvaart en het nationale bewustzijn van de burgerlijke klasse. Tegelijk verarmen brede lagen van de bevolking door het opkomende kapitalisme. (Marx en Engels: ‘Het communistisch manifest’, 1848). Over het algemeen kijkt men, ondanks veel kritiek op maatschappelijke ontwikkelingen, positief tegen het leven aan. Men kijkt als het ware door een ‘roze bril’ (vandaar ‘poëtisch’ realisme). De geliefde genres in deze tijd zijn de novelle en de roman.

Met name Gottfried Keller (1819-1890) en Theodor Fontane (1819-1898) zijn de optimisten. Laatstgenoemde valt op door zijn beschrijving van de positie van de vrouw in zijn tijd (Cécile, 1886; Irrungen, Wirrungen, 1887; Frau Jenny Treibel, 1892 en Effi Briest; 1894).

Meer pessimistisch ingesteld zijn Theodor Storm (1817-1888), W. Raabe (1831-1910) en W. Busch (1832-1908), die met zijn moraliserende humoristische ‘plaatjes met een praatje’ de grondlegger van de moderne strips genoemd kan worden (Max und Moritz, 1865). Zij staan meer onder invloed van de filosoof A. Schopenhauer (1788-1860), die het leven ziet als een tranendal, waaruit slechts voor korte momenten door de kunst ontsnapt kan worden, of door helemaal niets meer te verlangen (Die Welt als Wille und Vorstellung, 1818 en 1844).

Een schrijver die niet ongenoemd mag blijven is C.F. Meyer (1825-1898). Hij laat zijn verhalen uitsluitend in het verleden spelen (renaissance en reformatie).

Toneel vindt men alleen bij F. Hebbel (1813-1863). In het burgerlijke treurspel Maria Magdalena (1844) leiden burgerlijke bekrompenheid en vals eergevoel tot de ondergang van de hoofdpersoon.



Naturalismus (1880-1900)


De schrijvers uit deze periode zijn zeer sociaal bewogen. Men komt op voor de verdrukten in de maatschappij. Men wil niet ‘mooi’ schrijven, maar de waarheid laten zien. Vandaar dat alles heel precies en gedetailleerd beschreven wordt (Sekundenstil). De naturalisten zien de mens als een product van milieu en erfelijkheid (onder invloed van de erfelijkheidstheorie van Charles Darwin).

Het is vooral de toneelschrijver Gerhard Hauptmann (1862-1946), die in Duitsland triomfen viert. Beïnvloed door E. Zola en H. Ibsen schrijft hij o.a. Vor Sonnenaufgang (1889), Die Weber (1892) en Fuhrmann Henschel (1898).

Een belangrijk filosoof uit deze tijd is F. Nietzsche (1844-1900). In zijn Also sprach Zarathustra (1883) ontwikkelt hij het beeld van de mens als ‘Übermensch’, een hogere trap in de ontwikkeling van de mensheid. Het is een optimistisch en krachtig wezen dat onafhankelijk van de bestaande moraal zijn eigen weg zoekt en in het uiterste geval lachend ten onder gaat. Nietzsche keert zich tegen het christendom, liberalisme, socialisme en de democratie, omdat deze het ‘zwakke’ in de maatschappij beschermen. Hij ziet zijn tijd als één van decadentie en verval.

Wat de roman en het toneel betreft, houdt men zich aan een realistische beschrijvingswijze en er ontstaat, mede onder invloed van de theorieën van Sigmund Freud (1856-1939), wat men is gaan noemen de psychologische roman.

Thomas Mann (1875-1955) staat met zijn debuutroman Buddenbrooks (1901) nog sterk onder invloed van het naturalisme. In zijn latere werk wordt het conflict kunstenaar-burger belangrijk (bijv. Tristan, 1903; Tonio Kröger, 1903; Der Tod in Venedig, 1913). De taak van de kunstenaars is het leven te beschrijven en hij is daardoor niet in staat als een gewoon burger te leven. Na de machtsovername van Hitler vertrekt Mann naar Zwitserland en later naar Amerika. Na de oorlog keert hij naar Zwitserland terug. Hij ontving in 1929 de Nobelprijs voor de literatuur.

Bij Hermann Hesse (1877-1962) speelt het boedhisme een belangrijke rol. Zijn vader was missionaris in Indië en zelf bezoekt hij dat land in 1911. Al zijn personages zijn op zoek naar een innerlijke harmonie. Ook hij ontving de Nobelprijs (1946). (Siddharta, 1922; Der Steppenwolf, 1927; Narziss und Goldmund, 1930; Das Glasperlenspiel, 1943.)

Stefan Zweig (1881-1942) heeft belangstelling voor mensen, die zich in een abnormale geestestoestand (bijv. Schachnovelle, 1942) of in een voor hen beslissend moment in hun leven bevinden (bijv. Sternstunden der Menschheit, 1927). In Die Welt von gestern beschrijft hij de tijd voor 1914, een tijd die ook hij niet kon vergeten. Hij vlucht in 1938 naar Engeland, en woont vanaf 1941 in Brazilië waar hij in 1942 zelfmoord pleegt.

Arthur Schnitzler (1862-1931) schreef romans en toneelstukken. Hij schetst, psychologisch trefzeker, het leven van de gegoede burger en de adel in het decadente Wenen van rond de eeuwwisseling. (Anatol, 1893; Liebelei, 1895; Reigen, 1900; Der Weg ins Freie, 1908.)



Expressionismus (1910-1930)


Deze stroming heeft veel gemeen met de 18de-eeuwse Sturm und Drangbeweging: een eveneens jonge groep kunstenaars keert zich tegen de maatschappelijke orde van dat moment. Men probeert het ‘wezen der dingen’, zoals de kunstenaar dit ervaart, weer te geven en niet uiterlijkheden. Men voorvoelt de dreigende chaos (Eerste Wereldoorlog) en probeert de mensheid dichter bij elkaar te brengen. De ‘ik’-literatuur wordt ‘wij’-literatuur. Zo heeft men in het drama niet meer met individuen te maken, maar met types, vertegenwoordigers van een bepaalde groep zonder individuele eigenschappen (bijv. E. Toller: Masse Mensch, 1920).

Zijn belangrijkste invloed het expressionisme op het gebied van de lyriek. De taal wordt geladen en compact op het pathetische af. Men probeert zich zo gecomprimeerd mogelijk uit te drukken, hetgeen culmineert in de zogenaamde ‘expressionistische schreeuw’. Belangrijke dichters zijn Georg Trakl (1887-1914), Georg Heym (1887-1912), Ernst Stadler (1883-1914), Gottfried Benn (1886-1956) en J.R. Becher (1891-1958).

Als toneelschrijver mag Georg Kaiser (1878-1945) met zijn Die Bürger von Calais (1914), waarin het individu zich opoffert voor het algemene welzijn, niet ongenoemd blijven. Frank Wedekind (1846-1918) kan men, met zijn taboedoorbrekende toneelstukken als Frühlingserwachen (1891); Erdgeist (1895) en Die Büchse der Pandora (1904), als een voorloper van het expressionisme beschouwen.

De belangrijkste romanschrijver uit deze periode is Franz Kafka (1883-1924). Hij wordt gezien als de wegbereider van het surrealisme in de literatuur. Wat hem verbindt met het expressionisme is het ‘vader-zoon’-conflict. Kafka werd als Duitstalige jood in Praag geboren, hetgeen zijn isolement en dat van zijn romanfiguren wellicht zou kunnen verklaren. Het feit dat zijn vader in hem niet de zoon zag, die hij zich gewenst had, veroorzaakte bij Kafka een immens schuldgevoel en een enorm gebrek aan zelfvertrouwen. Tijdens zijn leven publiceerde hij slechts een aantal verhalen en hij verzocht zijn vriend Max Brod dan ook, zijn werk na zijn dood te willen vernietigen, hetgeen Brod gelukkig naliet. In zijn romans en verhalen is de mens steeds aan anonieme machten overgeleverd, waartegen hij zich niet kan verzetten en waartegen hij het moet afleggen. (Die Verwandlung, 1913/15; Der Prozess, 1925; Das Schloss, 1926; Amerika, 1927.)



Neue Sachlichkeit (1918-1933)


Na de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) ontstaat er weer een behoefte aan objectiviteit en een nuchter bekijken van de realiteit. De belangrijkste vertegenwoordigers hiervan zijn Carl Zuckmayer (1896-1977), E.M. Remarque (1898-1970), Erich Kästner (1899-1974) en Hans Fallada (1893-1947).

Op het gebied van het toneel is Bertold Brecht (1898-1956) belangrijk. Hij probeert de toeschouwer zich steeds bewust te laten zijn van zijn eigen situatie en stelling te nemen ten aanzien van hetgeen op het toneel gezegd wordt. Vandaar dat hij zijn toneel ‘episches Theater’ noemt. Hij wil zijn publiek iets leren en tot nadenken dwingen. Om dat te bereiken, bedient hij zich van zogenaamde ‘Verfremdungseffekte’: bijv. door de spanning uit het verhaal weg te nemen door de afloop reeds te vertellen, door gebruik te maken van schelle muziek en zang en door een miniem gebruik van decor. (Dreigroschenoper, 1929; Mutter Courage und ihre Kinder, 1939; Der gute Mensch von Sezuan, 1941; Der kaukasische Kreidekreis, 1948.)



Drittes Reich



1945 - 1989


Door de nazi-periode verloor Duitsland het contact met de wereldliteratuur en kregen de werken van de geëmigreerde schrijvers (Exilliteratur) pas langzamerhand bekendheid in Duitsland. Men moest proberen op de puinhopen een nieuw Duitsland en een nieuwe literatuur te scheppen.

Deze literatuur draagt dan ook de toepasselijke naam Trümmerliteratur. Hierin probeert men te begrijpen en te verwerken wat er misgegaan is in Duitsland.

Belangrijkste vertegenwoordigers van de Trümmerliteratur zijn:

W. Borchert (1921-1947) met Draußen vor der Tür (1947)

Paul Celan (1920-1970) met o.a. het gedicht Todesfuge (1952).

G. Eich (1907-1972).

Heinrich Böll (1917-1985) o.a. met vroege werken als Der Zug war pünktlich (1949), Und sagte kein einziges Wort (1953), Haus ohne Hüter (1954) en Das Brot der frühen Jahre (1955). Böll verwerft met zijn werk internationale faam met als beloning de Nobelprijs voor literatuur in 1972. Later hekelt hij de materialistische instelling van de Westduitsers in Die schwarzen Schafe (1951) en – hoewel hij zelf gelovig is – het katholicisme in Ansichten eines Clowns (1963). In Die verlorene Ehre der Katharina Blum (1974) stelt hij de verderfelijke invloed van de boulevardpers aan de kaak.

Een groep schrijvers met de naam Gruppe 47 ontmoet elkaar regelmatig en leest uit eigen werk. Daartoe behoren o.a. H.W. Richter (1908), A. Andersch (1914-1980), H.M. Enzensberger (1929), S. Lenz (1926) en I. Bachmann (1926-1973).



Belangrijke Westduitse schrijvers uit de vorige eeuw zijn nog:


Alfred Döblin (1887-1957) met Berlin Alexanderplatz (1929)

Friedrich Dürrenmatt (1921-1990) met o.a. Der Richter und sein Henker (1952), Der Besuch der alten Dame (1956), Die Physiker (1962), Justiz (1985).

Max Frisch (1911-1991) met o.a. Homo Faber (1957), Biedermann und die Brandstifter (1958), Andorra (1961).

Günter Grass (1927) met o.a. Die Blechtrommel (1959), Katz und Maus (1961), Der Butt (1977), Die Rättin (1986), Im Krebsgang (2002). Hij ontving in 1999 de Nobelprijs voor de literatuur.

Peter Handke met o.a. Publikumsbeschimpfung (1966), Wunschloses Unglück (1972), Die Angst des Tormanns beim Elfmeter (1970).

Elfriede Jellinek (1946) met o.a. Die Klavierspielerin (1983), Lust (1989).

Benjamin Lebert (1983)  met o.a. Crazy (1999)

Robert Musil (1880-1942) met Die Verwirrungen des Zöglings Törless (1906).

Luise Rinser (1927) met o.a. Jan Lobel aus Warschau (1948).

Bernard Schlink met Der Vorleser (1995).

Patrick Süskind (1949) met Das Parfum (1986).

Brigitte Schwaiger (1949) met Wie kommt das Salz ins Meer (1977).

Martin Walser (1927) met Ein fliehendes Pferd (1978).



Schrijvers uit de voormalige DDR:


Jurek Becker (1937) met Jakob der Lügner (1976), Der Boxer (1976), Schlaflose Tage (1978).

Stefan Heym (1913) met Die richtige Einstellung und andere Erzählungen (1977).

Uwe Johnson (1934-1984) met Mutmassungen über Jakob (1959).

Ulrich Plenzdorf (1934) met Die neuen Leiden des jungen W. (1972).

Anna Seghers (1900-1983) met o.a. Das siebte Kreuz (1942), Transit (1944).

Christa Wolf (1929) met Der geteilte Himmel (1963), Kassandra (1983), Störfall (1987).



Na de val van de Muur



Links:

Duits.de

Duitsland Instituut


GERMATIK LEZEN LUISTEREN SCHRIJVEN SPREKEN GESPREKKEN VOEREN