VWO


Wat moet een leerling kunnen/kennen:

Aan het eind van vwo 2 boek A


Leesvaardigheid

• kan een korte standaard mededeling lezen   

• kan zich een idee vormen van de inhoud van een korte tekst die waar mogelijk visueel ondersteund wordt  

• kan in korte informatieve teksten informatie over personen en plaatsen begrijpen   

• kan dingen opzoeken in of kiezen uit een lijst  


Luistervaardigheid

• kan het onderwerp bepalen van korte kijk-/luisterteksten   

• kan begrijpen wanneer anderen zich voorstellen aan elkaar

• kan in korte, duidelijk gesproken teksten, getallen en bekende woorden verstaan die gericht zijn aan de luisteraar


Gespreksvaardigheid

• kan op een eenvoudige manier groeten en afscheid nemen

• kan zichzelf en anderen voorstellen en reageren als iemand voorgesteld wordt

• kan vragen hoe het met mensen gaat en reageren op nieuws

• kan zeggen wat hij of zij leuk of lekker vindt en wat niet

• kan om verduidelijking vragen, eventueel met hulp van gebaren

• kan eenvoudige vragen stellen en beantwoorden, en eenvoudige uitspraken doen en beantwoorden op het gebied van primaire behoeften of over zeer vertrouwde, concrete onderwerpen


Spreekvaardigheid

• kan eenvoudige informatie geven over zichzelf  


Schrijfvaardigheid

• kan een eenvoudig formulier invullen

• kan een paar eenvoudige zinnen opschrijven over zichzelf of over andere mensen  

• kan een korte, eenvoudige (digitale) kaart met een wens of groet schrijven


Grammatica

• Tegenwoordige tijd van zwakke werkwoorden

• Tegenwoordige tijd van haben en sein

• Persoonlijke voornaamwoorden - eerste naamval

•Telwoorden 1 tot en met 100

• Bepaald en onbepaald lidwoord

• Bezittelijk voornaamwoord - eerste naamval

• Rangtelwoorden

• Tegenwoordige tijd van zwakke werkwoorden met een stam op –d of –t

• Voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden

• Telwoorden tot en met 1000

• Modale hulpwerkwoorden - tegenwoordige tijd

• • Geslacht van het zelfstandig naamwoord

• Persoonlijk voornaamwoord

• Verschil tussen bezittelijke en persoonlijke voornaamwoorden

• Tijdsbepalingen met im, am, um en von ... bis

• Vervoeging sterke werkwoorden met a en e in de stam

• Zinsontleding

• De der- en ein-groep in de eerste en in de vierde naamval


Uitspraak

• kan de letters a, ä, o, ö, u, ü en ß uitspreken

• kan spellen

• kan de s-klanken (s, ß, sch, z) uitspreken

• kan de lettercombinaties st en sp uitspreken

• kan de lettercombinaties ei, eu en äu uitspreken



Aan het eind van vwo 2 boek B


Leesvaardigheid

• kan korte, eenvoudige mededelingen begrijpen, bijvoorbeeld via social media of op brief- of ansichtkaarten  

• kan een korte, eenvoudige (standaard)brief of e-mail begrijpen  

• kan specifieke informatie vinden en begrijpen in eenvoudig, alledaags materiaal   

• kan zich een idee vormen van de inhoud van een korte tekst die waar mogelijk visueel ondersteund wordt  

• kan in korte informatieve teksten informatie over personen en plaatsen begrijpen  

• kan specifieke informatie begrijpen in eenvoudige teksten  

• kan de hoofdlijn begrijpen van eenvoudige teksten in een tijdschrift, krant of op een website  

• kan korte, beschrijvende teksten over vertrouwde onderwerpen begrijpen   

• kan door meelezen eenvoudig audiovisueel materiaal begrijpen  

• kan zeer eenvoudige, korte en goed gestructureerde instructies begrijpen  


Luistervaardigheid

• kan in korte, duidelijk gesproken teksten, getallen en bekende woorden verstaan die gericht zijn aan de luisteraar  

• kan een korte uitleg begrijpen  

• kan het onderwerp bepalen van korte kijk-/luisterteksten   

• kan de wezenlijke informatie verstaan en onderscheiden in korte opgenomen passages over voorspelbare alledaagse zaken  


Gespreksvaardigheid

• kan eenvoudige vragen stellen en beantwoorden, en eenvoudige uitspraken doen en beantwoorden op het gebied van primaire behoeften of over zeer vertrouwde, concrete onderwerpen    

• kan zeggen wat hij of zij leuk of lekker vindt en wat niet   

• kan om verduidelijking vragen, eventueel met hulp van gebaren  


Spreekvaardigheid

• kan eenvoudige informatie geven over zichzelf   

• kan een korte, ingestudeerde, eenvoudige presentatie geven over een vertrouwd onderwerp en • kan duidelijke vragen

naar aanleiding van de presentatie beantwoorden als hij of zij om herhaling • kan vragen en als enige hulp bij het formuleren van het antwoord mogelijk is  


Schrijfvaardigheid

• kan een kort, eenvoudig berichtje schrijven om een afspraak te bevestigen of af te zeggen via sms, e-mail of via andere sociale media  

• kan zeer korte en eenvoudige notities maken  

• kan een paar eenvoudige zinnen opschrijven over zichzelf of over andere mensen    

• kan in korte, eenvoudige zinnen vertrouwde zaken beschrijven  


Grammatica

De derde naamval

Du of Sie

Werkwoorden met de eerste, derde en vierde naamval

Het persoonlijk voornaamwoord in de derde en de vierde naamval

De trappen van vergelijking

W-vraagwoorden

Voorzetsels met de derde en de vierde naamval

Voorzetsels en persoonlijke voornaamwoorden in de derde en in de vierde naamval

Werkwoorden met de derde naamval en met de vierde naamval en een persoonlijk voornaamwoord

Voltooid tegenwoordige tijd

Gebruik van ‘naar’ en ‘bij’

Werkwoord werden

Voegwoorden en woordvolgorde


Uitspraak

• kan de ch uitspreken

• kan de chs en ig uitspreken

• kan korte en lange klinkers uitspreken

• kan de letters v, w, l en r uitspreken

• kan lettergrepen los of aan elkaar uitspreken










Aan het eind van vwo 3 boek A


Leesvaardigheid A2/B1

• kan dingen opzoeken in of kiezen uit een lijst  

• kan eenvoudige informatie op een poster, mededelingenbord of in een brochure lezen  

• kan zich een idee vormen van de inhoud van een korte tekst die waar mogelijk visueel ondersteund wordt  

• kan in korte teksten informatie over personen en plaatsen begrijpen  


Luistervaardigheid A2/B1

• kan tot hem of haar gerichte vragen en opdrachten verstaan en korte, eenvoudige aanwijzingen volgen

• kan in korte, duidelijk gesproken teksten, getallen en bekende woorden verstaan die gericht zijn aan de luisteraar  

• kan het onderwerp bepalen van korte kijk/luisterteksten   


Gespreksvaardigheid A2

• kan zichzelf en anderen voorstellen en reageren als iemand voorgesteld wordt

• kan op een eenvoudige manier groeten en afscheid nemen

• kan mensen om dingen vragen, begrijpen wanneer om iets gevraagd wordt, dingen aan mensen geven, voor iets bedanken

• kan eenvoudige vragen stellen en beantwoorden, en eenvoudige uitspraken doen en beantwoorden op het gebied van primaire

behoeften of over zeer vertrouwde, concrete onderwerpen

• kan vragen beantwoorden en stellen over zichzelf en over anderen, waar zij wonen, wie zij kennen, wat zij bezitten

• kan zeggen wat hij of zij leuk of lekker vindt en wat niet

• kan de tijd aangeven


Spreekvaardigheid A2

• kan eenvoudige informatie geven over zichzelf  

• kan in losse woorden en simpele, korte zinnen iets of iemand beschrijven


Schrijfvaardigheid

• kan een eenvoudig formulier invullen

• kan een korte, eenvoudige (digitale) kaart met een wens of groet schrijven

• kan een paar eenvoudige zinnen opschrijven over zichzelf of over andere mensen


Grammatica

• Voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)

• Onvoltooid verleden tijd van haben, sein en werden

• Telwoorden en kloktijden

• Tijdsbepalingen met im, am, um, von … bis

• Modale werkwoorden

• Gebiedende wijs

• Der-groep en ein-groep

• Persoonlijk voornaamwoord

• Wederkerende werkwoorden

• Voorzetsels met de derde en vierde naamval en de woorden van de der-groep en de ein-groep

• Voorzetsels met de derde en vierde naamval en persoonlijke voornaamwoorden

• Telwoorden tot 1 000

• Vervanging van het zelfstandig naamwoord door een persoonlijk voornaamwoord


Uitspraak

• kan de klinkers a-ä, o-ö en u-ü uitspreken

• kan de ß uitspreken

• kan de tweeklanken au, äu, ei en eu uitspreken

• kan de s-klanken uitspreken




Aan het eind van vwo 3 boek B


Leesvaardigheid A2 / B1

• kan relevante informatie vinden en begrijpen in brochures en korte officiële documenten op internet of in andere media.  

• kan eenvoudige jeugdliteratuur lezen.  

• kan hoofdthema en belangrijkste argumenten begrijpen in eenvoudige teksten in tijdschriften, kranten of op internet.

• kan specifieke informatie vinden en begrijpen in eenvoudig, alledaags materiaal.

• kan door meelezen alledaags audiovisueel materiaal begrijpen.

• kan de hoofdlijn begrijpen van eenvoudige teksten in een tijdschrift, krant of op een website.

• kan eenvoudige advertenties met weinig afkortingen begrijpen.

• kan in lijsten, overzichten en formulieren specifieke informatie vinden en begrijpen.

• kan een eenvoudige formele brief of e-mail voldoende begrijpen om adequaat te kunnen reageren.


Luistervaardigheid A2 / B1

• kan begrijpen wat rechtstreeks tot hem of haar wordt gezegd in eenvoudige alledaagse conversatie.

• kan over het algemeen heldere, tot hem of haar gerichte gesproken standaardtaal begrijpen over vertrouwde zaken, mits hij of zij af en toe om herhaling of herformulering • kan vragen.

• kan eenvoudige technische informatie begrijpen.

• kan de wezenlijke informatie verstaan en onderscheiden in korte opgenomen passages over voorspelbare alledaagse zaken.

• kan de hoofdpunten vatten van televisieprogramma’s over vertrouwde onderwerpen wanneer deze betrekkelijk langzaam en helder worden gepresenteerd.

• kan veel volgen van wat rondom hem of haar wordt gezegd over algemene onderwerpen.  

• kan een korte uitleg begrijpen.

• kan gedetailleerde aanwijzingen volgen.

• kan de inhoudelijke informatie van het meeste opgenomen of uitgezonden geluidsmateriaal over onderwerpen van persoonlijk belang verstaan.

• kan veel films volgen waarin een groot deel van de verhaallijn wordt gedragen door visuele effecten en actiescènes, en die

helder worden gepresenteerd in directe taal.  

• kan het belangrijkste punt herkennen van nieuwsberichten op televisie waarin verslag wordt gedaan van gebeurtenissen, ongelukken en dergelijke en waarin het beeld het commentaar ondersteunt.

• kan de hoofdpunten verstaan van nieuwsberichten op de radio en van eenvoudiger opgenomen materiaal over vertrouwde onderwerpen.


Gespreksvaardigheid A2

• kan informatie van persoonlijke aard vragen en geven.

• kan richtingaanwijzingen vragen en geven onder verwijzing naar een kaart of plattegrond.

• kan korte, eenvoudige opdrachten en aanwijzingen geven en opvolgen.

• kan uitnodigingen doen, op uitnodigingen ingaan of deze afslaan, suggesties opperen.

• kan vragen wat anderen wel en niet leuk vinden.

• kan in een vertrouwde situatie eenvoudige voorstellen doen en op voorstellen reageren.

• kan te kennen geven het (on)eens te zijn met anderen.

• kan deelnemen aan korte gesprekken over belangwekkende onderwerpen in een alledaagse context.

• kan vragen stellen en beantwoorden over tijdverdrijf en vroegere of toekomstige activiteiten.


Spreekvaardigheid A2

• kan in eenvoudige bewoordingen mensen, plaatsen en bezittingen beschrijven.

• kan alledaagse aspecten beschrijven van zijn of haar omgeving.

• kan uitleggen wat hij of zij leuk of niet leuk vindt aan iets.

• kan een verhaal vertellen of iets beschrijven.

• kan in een serie korte zinnen informatie geven over zichzelf en anderen.

• kan een korte, ingestudeerde presentatie geven over een onderwerp dat betrekking heeft op zijn of haar dagelijks leven,

• kan daarbij kort redenen en verklaringen geven voor meningen, plannen en handelingen en • kan een beperkt aantal duidelijke vragen naar aanleiding van de presentatie beantwoorden.


Schrijfvaardigheid A2

• kan aan een eenvoudige chatsessie deelnemen.

• kan eenvoudige en korte notities maken voor anderen.

• kan korte, eenvoudige berichten schrijven over zaken van direct belang.  

• kan in korte, eenvoudige zinnen vertrouwde zaken beschrijven.  

• kan in korte, eenvoudige zinnen een persoon beschrijven.

• kan standaardformulieren invullen.

• kan schrijven over alledaagse aspecten van zijn of haar omgeving in zinnen die met elkaar verbonden zijn.


Grammatica

• (Keuze)voorzetsels met de derde en vierde naamval

• Het geslacht van zelfstandige naamwoorden bepalen

• De 7/2-regel met betrekking tot keuzevoorzetsels

• De sterke werkwoorden met een –a of een –e in de stam

• De trappen van vergelijking

• Verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord

• Werkwoorden met de 1e, 3e en 4e naamval

• Vertaling van ‘naar’, ‘bij’ en ‘voor’

• Voorzetsels

• Onvoltooid verleden tijd van modale werkwoorden en wissen

• De voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)

• De onvoltooid verleden tijd (o.v.t.)

• De zou-vorm

• De woordvolgorde in het Duits

 De naamvallen


Uitspraak

• kent het verschil tussen de ach- en de ich-klank

• kent het verschil tussen korte en lange klinkers

• kan de s-klanken uitspreken











Aan het eind van vwo 4


Leesvaardigheid

• kan persoonlijke brieven, e-mails en vormen van sociale media voldoende begrijpen om met iemand te kunnen corresponderen    

• kan een eenvoudige formele brief of e-mail voldoende begrijpen om adequaat te kunnen reageren   

• kan relevante informatie vinden en begrijpen in brochures en korte officiële documenten op internet of in andere media      

• kan in langere teksten op internet of in andere media informatie zoeken over thema's binnen het eigen interessegebied    

• kan belangrijke feitelijke informatie begrijpen in korte verslagen en artikelen      

• kan eenvoudige jeugdliteratuur lezen    

• kan door meelezen alledaags audiovisueel materiaal begrijpen    

• kan hoofdthema en belangrijkste argumenten begrijpen in eenvoudige teksten in tijdschriften, kranten of op internet    

• kan artikelen en verslagen over hedendaagse problemen begrijpen, waarin de schrijvers bepaalde stellingen of standpunten innemen  

• kan helder geschreven, ondubbelzinnige instructies begrijpen   


Luistervaardigheid

• kan helder uitgesproken spraak volgen die in alledaagse conversaties tot hem of haar gericht wordt, maar zal soms moeten vragen om herhaling van bepaalde woorden en zinnen  

• kan over het algemeen het onderwerp herkennen van de discussie rondom hem of haar  

• kan over het algemeen de hoofdpunten volgen van een uitgebreide, informele discussie die rondom hem of haar wordt gevoerd    

• kan veel volgen van wat rondom hem of haar wordt gezegd over algemene onderwerpen  

• kan een voordracht of toespraak volgen binnen het eigen vakgebied  

• kan eenvoudige technische informatie begrijpen  

• kan gedetailleerde aanwijzingen volgen   

• kan de hoofdpunten verstaan van nieuwsberichten op de radio en van eenvoudiger opgenomen materiaal over vertrouwde onderwerpen     

• kan de inhoudelijke informatie van het meeste opgenomen of uitgezonden geluidsmateriaal over onderwerpen van persoonlijk belang verstaan    

• kan de hoofdpunten vatten van televisieprogramma's over vertrouwde onderwerpen wanneer deze betrekkelijk langzaam en helder worden gepresenteerd      

• kan een groot deel begrijpen van veel televisieprogramma's over onderwerpen van persoonlijk belang, zoals vraaggesprekken, korte voordrachten en nieuwsverslagen, wanneer deze betrekkelijk langzaam en helder worden gepresenteerd   


Gespreksvaardigheid

• kan gevoelens uiten en op gevoelens van anderen reageren   

• kan persoonlijke standpunten, commentaar en meningen geven of er om vragen in discussies over belangwekkende onderwerpen  

• kan zijn of haar mening geven en reacties overbrengen met betrekking tot mogelijke oplossingen van problemen en het nemen van praktische beslissingen, en daarbij beknopte redenen en verklaringen geven    

• kan een klacht uiten, afhandelen, doorgeven  

• kan directe feitelijke informatie achterhalen en doorgeven

• kan vragen stellen en beantwoorden over gewoonten en routines  

• kan vragen stellen en beantwoorden over tijdverdrijf en vroegere of toekomstige activiteiten  

• kan eenduidige feitelijke informatie achterhalen en doorgeven   

• kan gedetailleerde richtingaanwijzingen vragen en opvolgen  

• kan met enig vertrouwen verzamelde feitelijke informatie over vertrouwde alledaagse en niet-alledaagse zaken binnen zijn of haar vakgebied uitwisselen, controleren en bevestigen  


Spreekvaardigheid

• kan gedetailleerd verslag doen van ervaringen en daarbij gevoelens en reacties beschrijven    

• kan een voorbereide presentatie of spreekbeurt houden over een vertrouwd onderwerp binnen zijn of haar gebied, die helder genoeg is om het grootste deel van de tijd moeiteloos te worden gevolgd en waarin de belangrijkste punten met en redelijke mate van nauwkeurigheid worden uitgelegd en kan vragen beantwoorden naar aanleiding van de presentatie, maar moet soms om herhaling vragen als er snel is gesproken  

• kan in het kort zaken uitleggen en toelichten  


Schrijfvaardigheid

• kan persoonlijke brieven en e-mails schrijven of gebruikmaken van andere vormen van sociale media waarin ervaringen, gevoelens en gebeurtenissen enigszins gedetailleerd worden beschreven     

• kan op advertenties reageren      

• kan deelnemen aan discussies over bekende thema's of over thema's uit het interessegebied via sociale media zoals internet  

• kan korte, eenvoudige berichten schrijven over zaken van direct belang  

• kan notities en berichten schrijven die eenvoudige informatie bevatten die van direct belang is voor vrienden, dienstverleners, onderwijzers en anderen die een rol in zijn/haar dagelijks leven spelen, en daarbij begrijpelijk de punten overbrengen waarvan hij of zij vindt dat ze belangrijk zijn   

• kan formulieren waarin meer informatie gevraagd wordt, gedetailleerd invullen   

• kan een helder gestructureerde lezing over een vertrouwd onderwerp begrijpen en aantekeningen maken van punten die hem of haar belangrijk voorkomen, ook al neigt hij of zij ertoe zich te concentreren op de woorden zelf en daardoor sommige informatie te missen  

• kan een kort, eenvoudig verslag schrijven volgens een vast format  

• kan schrijven over alledaagse aspecten van zijn of haar omgeving in zinnen die met elkaar verbonden zijn  

• kan zeer kort en elementair gebeurtenissen, activiteiten in het verleden en persoonlijke ervaringen beschrijven  

• kan gedetailleerde beschrijvingen geven van bekende onderwerpen binnen het eigen interessegebied  

• kan verslag doen van ervaringen en daarbij gevoelens en reacties op gebeurtenissen beschrijven   


Grammatica

• Haben, sein, werden im Präsens,

• Präteritum und Partizip II

• Fragewörter

• Plural Substantive

• Schwache Verben im Präsens

• Personalpronomen

• Modalverben

• Konjunktiv II

• Wortstellung Verben

• (Wechsel)präpositionen und Fälle

• Verben mit Fall

• Zahlen und Uhrzeiten

• Adjektiv


Uitspraak

• Sisklanken

• Lettercombinatie -ch

• Letter -g

• Korte en lange klinkers











Aan het eind van vwo 5


Leesvaardigheid

• kan relevante informatie vinden en begrijpen in brochures en korte officiële documenten op internet of in andere media     

• kan belangrijke feitelijke informatie begrijpen in korte verslagen en artikelen    

• kan eenvoudige jeugdliteratuur lezen   

• kan hoofdthema en belangrijkste argumenten begrijpen in eenvoudige teksten in tijdschriften, kranten of op internet    

• kan literaire en non-fictie teksten lezen met een redelijke mate van begrip voor het geheel en voor details       

• kan door meelezen alledaags audiovisueel materiaal begrijpen  

• kan in langere teksten op internet of in andere media informatie zoeken over thema’s binnen het eigen interessegebied  

• kan persoonlijke brieven, e-mails en vormen van sociale media voldoende begrijpen om met iemand te kunnen corresponderen  

• kan snel belangrijke detailinformatie vinden in lange en complete teksten   

• kan in teksten over onderwerpen van algemeen belang of binnen het eigen vak- of interessegebied nieuwe informatie en specifieke details vinden  

• kan teksten begrijpen over actuele onderwerpen waarin de schrijver een bepaald standpunt inneemt  

• kan met gemak literaire en non-fictie teksten lezen  


Luistervaardigheid

• kan de hoofdpunten vatten van televisieprogramma’s over vertrouwde onderwerpen wanneer deze betrekkelijk langzaam en helder worden gepresenteerd   

• kan een groot deel begrijpen van veel tv-programma’s over onderwerpen van persoonlijk belang, zoals vraaggesprekken, korte voordrachten en nieuwsverslagen, wanneer deze betrekkelijk langzaam en helder worden gepresenteerd    

• kan de hoofdpunten verstaan van nieuwsberichten op de radio en van eenvoudiger opgenomen materiaal over vertrouwde onderwerpen       

• kan veel volgen van wat rondom hem of haar wordt gezegd over algemene onderwerpen  

• kan de inhoudelijke informatie van het meeste opgenomen of uitgezonden geluidsmateriaal over onderwerpen van persoonlijk belang verstaan  

     

• kan een voordracht of toespraak volgen binnen het eigen vakgebied  

• kan de meeste radiodocumentaires en het meeste andere opgenomen of uitgezonden geluidsmateriaal verstaan en kan de stemming, toon enzovoort van de spreker herkennen  

• kan de essentie begrijpen van moeilijkere tv-programma’s als er in standaardtaal en in normaal tempo gesproken wordt   

• kan complete informatie begrijpen over onderwerpen uit het dagelijkse leven of het eigen vakgebied   

• kan de meeste in standaardtaal en in normaal tempo gesproken radioprogramma’s begrijpen  

• kan met enige moeite veel begrijpen van gesprekken over een voor hem of haar interessant onderwerp  

• kan binnen de eigen interessesfeer of het eigen vakgebied de essentie van ingewikkelde betogen begrijpen, mits het onderwerp enigszins vertrouwd en het verhaal duidelijk opgebouwd is  

• kan helder uitgesproken spraak volgen die in alledaagse conversaties tot hem of haar gericht wordt, maar zal soms moeten vragen om herhaling van bepaalde woorden en zinnen  


Gespreksvaardigheid

• kan persoonlijke standpunten, commentaar en meningen geven of om commentaar of een mening vragen in discussies over belangwekkende onderwerpen  

• kan met enig vertrouwen verzamelde feitelijke informatie over vertrouwde alledaagse en niet alledaagse zaken binnen zijn of haar vakgebied uitwisselen, controleren en bevestigen  

• kan gevoelens uiten en op gevoelens van anderen reageren  

• kan op beleefde wijze een overtuiging, een mening, instemming en afkeuring uitdrukken  

• kan eenduidige feitelijke informatie achterhalen en doorgeven  

• kan telefonisch informatie opvragen enof doorgeven  

• kan gevoelens genuanceerd uiten en adequaat reageren op gevoelsuitingen van anderen  

• kan in vertrouwde situaties actief meedoen aan discussies over onderwerpen van algemene aard  

• kan veel zaken binnen het eigen vakterrein of interessegebied duidelijk uiteenzetten, en daarbij belangrijke punten en relevante details goed naar voren brengen  


Spreekvaardigheid

• kan een voorbereide presentatie of spreekbeurt houden over een vertrouwd onderwerp binnen zijn of haar gebied, die helder genoeg is om het grootste deel van de tijd moeiteloos te worden gevolgd en waarin de belangrijkste punten met een redelijke mate van nauwkeurigheid worden uitgelegd en kan vragen beantwoorden naar aanleiding van de presentatie, maar moet soms om herhaling vragen als er snel is gesproken  

• kan eenvoudige beschrijvingen geven van diverse vertrouwde onderwerpen binnen zijn of haar interessegebied  

• kan de plot van een boek of film navertellen en daarbij zijn of haar reacties beschrijven  

• kan korte, ingestudeerde mededelingen doen over een onderwerp dat betrekking heeft op alledaagse gebeurtenissen op zijn of haar gebied  

• kan in het kort zaken uitleggen en toelichten  

• kan in een discussie zijn of haar mening naar voren brengen, verantwoorden en overeind houden  


Schrijfvaardigheid

• kan persoonlijke brieven en e-mails schrijven of gebruikmaken van andere vormen van sociale media waarin ervaringen, gevoelens en gebeurtenissen enigszins gedetailleerd worden beschreven   

• kan verslag doen van ervaringen en daarbij gevoelens en reacties op gebeurtenissen beschrijven   

• kan op advertenties reageren    

• kan notities en berichten schrijven die eenvoudige informatie bevatten die van direct belang is voor vrienden, dienstverleners, onderwijzers en anderen die een rol in zijn/haar dagelijks leven spelen, en daarbij begrijpelijk de punten overbrengen waarvan hij of zij vindt dat ze belangrijk zijn    

• kan deelnemen aan discussies over bekende thema’s of over thema’s uit het interessegebied via sociale media zoals internet   

• kan een kort, eenvoudig verslag schrijven volgens een vast format  

• kan met vertrouwen verzamelde feitelijke informatie over vertrouwde alledaagse en niet-alledaagse zaken binnen zijn of haar vakgebied samenvatten, in een verslag opnemen en becommentariëren  

• kan een verhaal schrijven over een onderwerp dat hem/haar interesseert  


Grammatica

• Wann welcher Fall?

• Genitiv

• Adjektiv

• Substantiviertes Adjektiv

• laufen, liegen, sitzen und stehen + ein anderes Verb

• bleiben, gehen, kommen + Infinitiv

• Personalpronomen

• Fragewort wer

• ohne zu, (an)statt zu und um zu  

• Wechselpräpositionen

• Schwache Verben im Präsens, Präteritum und Perfekt

• Schwaches männliches Substantiv

• Partizip I

• Futur

• Passiv

• Starke Verben im Präsens

• Präteritum und Partizip II von starken Verben

• Konjunktiv II

• Hilfsverben haben und sein

• Zeitangabe ohne Präposition

• Imperativ

• Substantiv

• Verben mit Wechselpräpositionen, die immer den 4. Fall verlangen

• Zahlwörter

• Konjunktionen und Adverbien

• Verben mit Wechselpräpositionen, die immer den 3. Fall verlangen

• Modalverben

• Anwendung verschiedener Präpositionen

• Verschmelzung Präpositionen + Artikel

• Fragewörter

• Steigerungsstufen

• Fälle  

• Wortstellung

• Kommasetzung Hauptsatz und Nebensatz und bei Infinitivkonstruktionen

• Genitiv

• Reflexive Verben

• Verben mit Präfix

• ohne zu, (an)statt zu und um zu











Aan het eind van vwo 6


LEESVAARDIGHEID

• kan in teksten over onderwerpen van algemeen belang of binnen het eigen vak- of interessegebied nieuwe informatie en specifieke details vinden  

• kan teksten begrijpen over actuele onderwerpen waarin de schrijver een bepaald standpunt inneemt   

• kan informatie, ideeën en meningen ophalen uit zeer gespecialiseerde bronnen binnen het eigen vakgebied  

• kan artikelen en verslagen over hedendaagse problemen begrijpen, waarin de schrijvers bepaalde stellingen of standpunten innemen    

• kan op detailniveau een breed scala van lange, complete teksten begrijpen, die veel worden aangetroffen in het sociale, professionele of academische leven, en fijnere details herkennen zoals houdingen en uitgesproken of impliciete meningen, mits moeilijke passages herlezen kunnen worden   

• kan snel lange, complete teksten doorlezen en de relevante details vinden   

• kan literaire en non-fictieteksten lezen met een redelijke mate van begrip voor het geheel en voor details   

• kan bij allerlei soorten berichten, artikelen of verslagen snel bepalen of het de moeite waard is deze nader te bestuderen  

• kan lange en complete teksten tot in detail begrijpen, mits moeilijke passages herlezen kunnen worden   

• kan snel belangrijke detailinformatie vinden in lange en complete teksten  

• kan relevante informatie vinden en begrijpen in brochures en korte officiële documenten op internet of in andere media  


LUISTERVAARDIGHEID

• kan de hoofdpunten verstaan van nieuwsberichten op de radio en van eenvoudiger opgenomen materiaal over vertrouwde onderwerpen  

• kan de inhoudelijke informatie van het meeste opgenomen of uitgezonden geluidsmateriaal over onderwerpen van persoonlijk belang verstaan  

• kan de meeste radiodocumentaires en het meeste andere opgenomen of uitgezonden geluidsmateriaal verstaan en kan de stemming, toon enzovoort van de spreker herkennen  

• kan de essentie begrijpen van moeilijkere tv-programma’s als er in standaardtaal en in normaal tempo gesproken wordt  

• kan een levendig gesprek tussen moedertaalsprekers volgen  

• kan de meeste nieuwsuitzendingen en actualiteitenprogramma’s op de televisie en via internet verstaan   

• kan opnamen in standaardtaal verstaan die veel worden aangetroffen in het sociale, beroeps- of onderwijsleven, en naast de inhoudelijke informatie ook standpunten en houdingen van sprekers herkennen    

• kan mededelingen en berichten over concrete en abstracte onderwerpen verstaan  

• kan de hoofdpunten vatten van televisieprogramma’s over vertrouwde onderwerpen wanneer deze betrekkelijk langzaam en helder worden gepresenteerd  

• kan documentaires, live uitgezonden vraaggesprekken, praatprogramma’s, toneelstukken en de meeste films verstaan op televisie of via internet  


GESPREKSVAARDIGHEID

• kan gevoelens genuanceerd uiten en adequaat reageren op gevoelsuitingen van anderen  

• kan zijn/haar mening in een discussie verantwoorden en staande houden met ter zake doende verklaringen, argumenten en commentaren  

• kan deelnemen aan informele discussies in een vertrouwde context en daarbij commentaar geven, standpunten helder weergeven, alternatieve voorstellen beoordelen en hypothesen stellen en beantwoorden  

• kan initiatief nemen in een vraaggesprek  

• kan ideeën ontwikkelen en ze uitbreiden met een beetje hulp of stimulans van de gesprekspartner  

• kan op betrouwbare wijze gedetailleerde informatie doorgeven  

• kan ideeën en meningen precies onder woorden brengen en op overtuigende wijze complete redeneringen presenteren en beantwoorden  

• kan initiatief nemen in een vraaggesprek en ideeën uitwerken en ontwikkelen zonder veel hulp of aansporing van een vragensteller  


SCHRIJFVAARDIGHEID

• kan persoonlijke brieven en e-mails schrijven of gebruikmaken van andere vormen van sociale media waarin ervaringen, gevoelens en gebeurtenissen enigszins gedetailleerd worden beschreven   

• kan op advertenties reageren  

• kan notities en berichten schrijven die eenvoudige informatie bevatten die van direct belang is voor vrienden, dienstverleners, onderwijzers en anderen die een rol in zijn/haar dagelijks leven spelen, en daarbij begrijpelijk de punten overbrengen waarvan hij of zij vindt dat ze belangrijk zijn  

• kan een kort, eenvoudig verslag schrijven volgens een vast format  

• kan met enig vertrouwen verzamelde feitelijke informatie over vertrouwde alledaagse en niet-alledaagse zaken binnen zijn of haar vakgebied samenvatten, in een verslag opnemen en becommentariëren  

• kan duidelijke, gedetailleerde teksten schrijven over thema’s gerelateerd aan het eigen interessegebied  

• kan teksten schrijven waarin argumenten worden uitgewerkt en onderbouwd  

• kan in persoonlijke brieven, e-mails en in internetgroepen nieuws en standpunten van een ander becommentariëren  


SPREEKVAARDIGHEID

• kan duidelijke, gedetailleerde beschrijvingen geven over een breed scala van onderwerpen die betrekking hebben op zijn/haar interessegebied  

• kan duidelijke, samenhangende verhalen vertellen    

• kan een duidelijk en gedetailleerd betoog houden over onderwerpen uit de eigen interessesfeer of werkgebied  

• kan veel zaken binnen het eigen vakterrein of interessegebied duidelijk uiteenzetten, en daarbij belangrijke punten en relevante details goed naar voren brengen  

• kan een duidelijke, systematisch ontwikkelde presentatie geven, met de nadruk op belangrijke punten en ter zake doende ondersteunende details






















 

© 2021 - W. Bunnik

GERMATIK LESEN HÖREN SCHREIBEN SPRECHEN 1 SPRECHEN 2 WERKZEUG SPIEL