HAVO


Wat moet een leerling kunnen/kennen:

Aan het eind van havo 2 boek A


Leesvaardigheid A1

• kan een korte standaard mededeling lezen   

• kan zich een idee vormen van de inhoud van een korte tekst die waar mogelijk visueel ondersteund wordt  

• kan in korte informatieve teksten informatie over personen en plaatsen begrijpen   

• kan dingen opzoeken in of kiezen uit een lijst


Luistervaardigheid A1

• kan het onderwerp bepalen van korte kijk-/luisterteksten   

• kan begrijpen wanneer anderen zich voorstellen aan elkaar

• kan in korte, duidelijk gesproken teksten, getallen en bekende woorden verstaan die gericht zijn aan de luisteraar  


Gespreksvaardigheid A1

• kan op een eenvoudige manier groeten en afscheid nemen

• kan zichzelf en anderen voorstellen en reageren als iemand voorgesteld wordt

• kan vragen hoe het met mensen gaat en reageren op nieuws

• kan zeggen wat hij of zij leuk of lekker vindt en wat niet

• kan om verduidelijking vragen, eventueel met hulp van gebaren

• kan eenvoudige vragen stellen en beantwoorden, en eenvoudige uitspraken doen en beantwoorden op het gebied van primaire behoeften of over zeer vertrouwde, concrete onderwerpen


Spreekvaardigheid A1

• kan eenvoudige informatie geven over zichzelf  

• kan in losse woorden en simpele, korte zinnen iets of iemand beschrijven


Schrijfvaardigheid A1

• kan een eenvoudig formulier invullen

• kan een paar eenvoudige zinnen opschrijven over zichzelf of over andere mensen  

• kan een korte, eenvoudige (digitale) kaart met een wens of groet schrijven


Grammatica

• Zwakke werkwoorden

• Persoonlijke voornaamwoorden eerste naamval

• Tegenwoordige tijd van haben en sein

• Telwoorden van 1 tot 100

• De W-vraagwoorden

• Bepaald en onbepaald lidwoord (der- en ein-groep)

• Bezittelijke voornaamwoorden eerste naamval

• Rangtelwoorden

• Tegenwoordige tijd van zwakke werkwoorden met een stam op –d of –t

• Voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden

• Telwoorden tot 1000

• Geslacht van zelfstandige naamwoorden

• Vormen modale hulpwerkwoorden en wissen en möchten in de tegenwoordige tijd

• Het persoonlijk voornaamwoord

• De naamvallen

• De der- en de ein-groep in de eerste en vierde naamval

• Gebruik du en Sie

• Eerste, derde en vierde naamval in een zin bepalen

• De derde naamval


Uitspraak

• kan de letters a, ä, o, ö, u, ü en ß uitspreken

• kan spellen

• kan de s-klanken (s, ß, sch) uitspreken.

• kan de lettercombinaties sch, st en sp uitspreken

• kan de lettercombinaties ch, chs en ig uitspreken


Aan het eind van havo 2 boek B


Leesvaardigheid A1 / A2

• kan een korte, eenvoudige (standaard)brief of e-mail begrijpen

• kan eenvoudige informatie op een poster, mededelingenbord of in een brochure lezen

• kan specifieke informatie vinden en begrijpen in eenvoudig, alledaags materiaal

• kan in lijsten, overzichten en formulieren specifieke informatie vinden en begrijpen

• kan zich een idee vormen van de inhoud van een korte tekst die waar mogelijk visueel ondersteund wordt

• kan in korte informatieve teksten informatie over personen en plaatsen begrijpen   

• kan specifieke informatie begrijpen in eenvoudige teksten

• kan de hoofdlijn begrijpen van eenvoudige teksten in een tijdschrift, krant of op een website

• kan korte, beschrijvende teksten over vertrouwde onderwerpen begrijpen

• kan eenvoudige, korte en goed gestructureerde instructies begrijpen


Luistervaardigheid A1 / A2

• kan begrijpen wat rechtstreeks tot hem of haar wordt gezegd in eenvoudige alledaagse conversatie

• kan begrijpen wanneer anderen zich voorstellen aan elkaar

• kan in korte, duidelijk gesproken teksten, getallen en bekende woorden verstaan die gericht zijn aan de luisteraar

• kan een korte uitleg begrijpen

• kan het onderwerp bepalen van korte kijk-/luisterteksten  

• kan de wezenlijke informatie verstaan en onderscheiden in korte opgenomen passages over voorspelbare alledaagse zaken   

• kan het belangrijkste punt herkennen van nieuwsberichten op televisie waarin verslag wordt gedaan van gebeurtenissen, ongelukken en dergelijke en waarin het beeld het commentaar ondersteunt


Gespreksvaardigheid A1 / A2

• kan vragen hoe het met mensen gaat en reageren op nieuws

• kan vragen beantwoorden en stellen over zichzelf en over anderen, waar zij wonen, wie zij kennen, wat zij bezitten

• kan zeggen wat hij of zij leuk of lekker vindt en wat niet

• kan vragen stellen en beantwoorden over wat men op het werk en in de vrije tijd doet


Spreekvaardigheid A1 / A2

• kan eenvoudige informatie geven over zichzelf

• kan uitleggen wat hij of zij leuk of niet leuk vindt aan iets

• kan korte, eenvoudige beschrijvingen geven van gebeurtenissen en activiteiten

• kan een korte, ingestudeerde, eenvoudige presentatie geven over een vertrouwd onderwerp en • kan duidelijke vragen naar aanleiding van de presentatie beantwoorden als hij of zij om herhaling • kan vragen en als enige hulp bij het formuleren van het antwoord mogelijk is


Schrijfvaardigheid A1 / A2

• kan een korte (digitale) kaart met een wens of groet schrijven

• kan een lijst met vragen over zichzelf invullen

• kan in korte zinnen vertrouwde zaken beschrijven  


Grammatica

• Voorzetsels met de vierde naamval

• Het persoonlijk voornaamwoord in de vierde naamval

• Verschil tussen een persoonlijk voornaamwoord en een bezittelijk voornaamwoord

• Vervoeging van werkwoorden met a en e in de stam

• Verschil tussen sterke en zwakke werkwoorden

• Tijd aangeven

• Gebruik van im, am, um, von … bis

• Kloktijden

• Voorzetsels met de derde naamval

• Voorzetsels en persoonlijke voornaamwoorden in de derde naamval

• Trappen van vergelijking  

• Vertaling van ‘naar’ en ‘bij’  

• Het werkwoord werden  

• De voltooid tegenwoordige tijd  

• Voegwoorden  

• Woordvolgorde  


Uitspraak

• kan de lettercombinaties sp, st, ei, eu en äu uitspreken

• kan korte en lange klinkers uitspreken

• kan v, f, w, l, r uitspreken

• weet wanneer lettergrepen wél of niet verbonden moeten worden










Aan het eind van havo 3 boek A


Leesvaardigheid A2/B1

• kan specifieke informatie vinden en begrijpen in eenvoudig, alledaags materiaal.

• kan de hoofdlijn begrijpen van eenvoudige teksten in een tijdschrift, krant of op een website.  

• kan door meelezen eenvoudig audiovisueel materiaal begrijpen.  

• kan korte, beschrijvende teksten over vertrouwde onderwerpen begrijpen.

• kan relevante informatie vinden en begrijpen in brochures en korte officiële documenten op internet of in andere media.  

• kan belangrijke feitelijke informatie begrijpen in korte verslagen en artikelen.

• kan eenvoudige jeugdliteratuur lezen.   

• kan hoofdthema en belangrijkste argumenten begrijpen in eenvoudige teksten in tijdschriften, kranten of op internet.  

• kan helder geschreven, ondubbelzinnige instructies begrijpen.


Luistervaardigheid A2/B1

• kan over het algemeen het onderwerp herkennen van de discussie rondom hem of haar.

• kan veel volgen van wat rondom hem of haar wordt gezegd over algemene onderwerpen.

• kan veel films volgen waarin een groot deel van de verhaallijn wordt gedragen door visuele effecten en actiescènes, en die helder worden gepresenteerd in directe taal.

• kan de wezenlijke informatie verstaan en onderscheiden in korte opgenomen passages over voorspelbare alledaagse zaken  

• kan zich een indruk vormen van de belangrijkste inhoud in een feitelijk nieuwsbericht op televisie.

• kan over het algemeen de hoofdpunten volgen van een uitgebreide, informele discussie die rondom hem of haar wordt gevoerd.

• kan de hoofdpunten vatten van televisieprogramma’s over vertrouwde onderwerpen wanneer deze betrekkelijk langzaam en helder worden gepresenteerd.  

• kan de hoofdpunten verstaan van nieuwsberichten op de radio en van eenvoudiger opgenomen materiaal over vertrouwde onderwerpen.

• kan gedetailleerde aanwijzingen volgen.


Gespreksvaardigheid A2

• kan eenvoudige alledaagse beleefdheidsvormen gebruiken om anderen te begroeten en aan te spreken.

• kan beperkte informatie uitwisselen over vertrouwde en alledaagse zaken van praktische aard.

• kan een eenvoudig gesprek aan een balie voeren.

• kan informatie van persoonlijke aard vragen en geven.  

• kan in beperkte mate meedoen aan eenvoudige gesprekken over alledaagse, bekende onderwerpen.


Spreekvaardigheid A2

• kan korte, eenvoudige beschrijvingen geven van gebeurtenissen en activiteiten.

• kan een korte, ingestudeerde, eenvoudige presentatie geven over een vertrouwd onderwerp en kan duidelijke vragen naar aanleiding van de presentatie beantwoorden als hij of zij om herhaling

• kan vragen en als enige hulp bij het formuleren van het antwoord mogelijk is.

• kan een korte, ingestudeerde presentatie geven over een onderwerp dat betrekking heeft op zijn of haar dagelijks leven, kan daarbij kort redenen en verklaringen geven voor meningen, plannen en handelingen en

• kan een beperkt aantal duidelijke vragen naar aanleiding van de presentatie beantwoorden.

• kan plannen en afspraken, gewoonten en routinehandelingen, activiteiten uit het verleden en persoonlijke ervaringen beschrijven.

• kan in een serie korte zinnen informatie geven over zichzelf en anderen.


Schrijfvaardigheid A2

• kan een eenvoudig persoonlijk briefje schrijven via de post, e-mail of via andere sociale media.  

• kan eenvoudige en korte notities maken voor zichzelf.

• kan schrijven over alledaagse aspecten van zijn of haar omgeving in zinnen die met elkaar verbonden zijn.

• kan zeer kort en elementair gebeurtenissen, activiteiten in het verleden en persoonlijke ervaringen beschrijven.

• kan in korte, eenvoudige zinnen vertrouwde zaken beschrijven.  


Grammatica

• Voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)

• Onvoltooid verleden tijd (o.v.t.) van de werkwoorden haben, sein en werden

• Telwoorden en kloktijden

• Tijdsbepalingen

• Modale werkwoorden en het werkwoord wissen

• Gebiedende wijs

• Der-groep en ein-groep

• Werkwoorden met de 1e, 3e of 4e naamval

• Voorzetsels met de 3e of 4e naamval

• De der-groep en de ein-groep

• Wederkerende werkwoorden

• Voorzetsels met de 3e en de 4e naamval in combinatie met persoonlijke voornaamwoorden

• Zinsontleding


Uitspraak

• a-ä, o-ö, u-ü en ß p. 16

• klinkercombinaties –au, –äu, –ei, ie- en –eu

• s-klanken



Aan het eind van havo 3 boek B


Leesvaardigheid A2/B1

• kan specifieke informatie begrijpen in eenvoudige teksten.

• kan korte, beschrijvende teksten over vertrouwde onderwerpen begrijpen.

• kan hoofdthema en belangrijkste argumenten begrijpen in eenvoudige teksten in tijdschriften, kranten of op internet.

• kan door meelezen alledaags audiovisueel materiaal begrijpen.

• kan belangrijke feitelijke informatie begrijpen in korte verslagen en artikelen.

• kan specifieke informatie vinden en begrijpen in eenvoudig, alledaags materiaal.

• kan persoonlijke brieven, e-mails en vormen van sociale media voldoende begrijpen om met iemand te kunnen corresponderen.

• kan relevante informatie vinden en begrijpen in brochures en korte officiële documenten op internet of in andere media.

• kan eenvoudige jeugdliteratuur lezen.

• kan in lijsten, overzichten en formulieren specifieke informatie vinden en begrijpen.

• kan een eenvoudige formele brief of e-mail voldoende begrijpen om adequaat te kunnen reageren.


Luistervaardigheid A2/B1

• kan de wezenlijke informatie verstaan en onderscheiden in korte opgenomen passages over voorspelbare alledaagse zaken.

• kan het belangrijkste punt herkennen van nieuwsberichten op televisie waarin verslag wordt gedaan van gebeurtenissen, ongelukken en dergelijke en waarin het beeld het commentaar ondersteunt.

• kan over het algemeen de hoofdpunten volgen van een uitgebreide, informele discussie die rondom hem of haar wordt gevoerd.

• kan veel films volgen waarin een groot deel van de verhaallijn wordt gedragen  door visuele effecten en actiescènes, en die helder worden gepresenteerd in directe taal.

• kan de hoofdpunten vatten van televisieprogramma’s over vertrouwde onderwerpen  wanneer deze betrekkelijk langzaam en helder worden gepresenteerd.

• kan over het algemeen heldere, tot hem of haar gerichte gesproken standaardtaal  begrijpen over vertrouwde zaken, mits hij of zij af en toe om herhaling of herformulering kan vragen.

• kan de hoofdpunten verstaan van nieuwsberichten op de radio en van eenvoudiger opgenomen materiaal over vertrouwde onderwerpen.

• kan de inhoudelijke informatie van het meeste opgenomen of uitgezonden geluidsmateriaal over onderwerpen van persoonlijk belang verstaan.

• kan in vertrouwde situaties eenvoudige feitelijke informatie begrijpen.

• kan een korte uitleg begrijpen.

• kan gedetailleerde aanwijzingen volgen.

• kan aanwijzingen begrijpen over de werking van vertrouwde apparaten, mits het apparaat voorhanden is.


Gespreksvaardigheid A2

• kan richtingaanwijzingen vragen en geven onder verwijzing naar een kaart of plattegrond.

• kan korte, eenvoudige opdrachten en aanwijzingen geven en opvolgen.

• kan uitnodigingen doen, op uitnodigingen ingaan of deze afslaan, suggesties opperen.

• kan vragen wat anderen wel en niet leuk vinden.

• kan in een vertrouwde situatie eenvoudige voorstellen doen en op voorstellen reageren.

• kan deelnemen aan korte gesprekken over belangwekkende onderwerpen in een alledaagse context.

• kan vragen stellen en beantwoorden over tijdverdrijf en vroegere of toekomstige activiteiten.


Spreekvaardigheid A2

• kan in eenvoudige bewoordingen mensen, plaatsen en bezittingen beschrijven.

• kan alledaagse aspecten beschrijven van zijn of haar omgeving.

• kan uitleggen wat hij of zij leuk of niet leuk vindt aan iets.

• kan een verhaal vertellen of iets beschrijven.

• kan een korte, ingestudeerde presentatie geven over een onderwerp dat betrekking heeft op zijn of haar dagelijks leven, kan daarbij kort redenen en verklaringen geven voor meningen, plannen en handelingen en kan een beperkt aantal duidelijke vragen naar aanleiding van de presentatie beantwoorden.

• kan in een serie korte zinnen informatie geven over zichzelf en anderen.

• kan een korte, ingestudeerde, eenvoudige presentatie geven over een vertrouwd  onderwerp en kan duidelijke vragen naar aanleiding van de presentatie beantwoorden als hij of zij om herhaling kan vragen en als enige hulp bij het formuleren van het antwoord mogelijk is.


Schrijfvaardigheid A2

• kan aan een eenvoudige chatsessie deelnemen.

• kan korte, eenvoudige berichten schrijven over zaken van direct belang.

• kan in korte, eenvoudige zinnen vertrouwde zaken beschrijven.

• kan in korte, eenvoudige zinnen een persoon beschrijven.

• kan een eenvoudig persoonlijk briefje schrijven via de post, e-mail of via sociale  media.

• kan standaardformulieren invullen.


Grammatica

• Geslacht van zelfstandige naamwoorden

• Keuzevoorzetsels

• Trappen van vergelijking

• Vertaling van ‘naar’, ‘bij’ en ‘voor’

• Persoonlijk voornaamwoord

• Onvoltooid verleden tijd van haben, sein en werden

• Voegwoorden en woordvolgorde

• Sterke werkwoorden in de onvoltooid tegenwoordige tijd en voltooid deelwoord

• Zou-vorm

• Werkwoorden met de 1e, 3e en 4e naamval

• Naamvallen


Uitspraak

• De ich- en ach-klank

• De klank -chs

• Lange en korte klinkers

• De lettercombinaties –sch, –st en –sp










Aan het eind van havo 4


LEESVAARDIGHEID

• kan specifieke informatie begrijpen in eenvoudige teksten

• kan specifieke informatie vinden en begrijpen in eenvoudig, alledaags materiaal

• kan eenvoudige jeugdliteratuur lezen

• kan belangrijke feitelijke informatie begrijpen in korte verslagen en artikelen

• kan hoofdthema en belangrijkste argumenten begrijpen in eenvoudige teksten in tijdschriften, kranten of op internet

• kan in lijsten, overzichten en formulieren specifieke informatie vinden en begrijpen

• kan belangrijke feitelijke informatie begrijpen in korte verslagen en artikelen

• kan hoofdthema en belangrijkste argumenten begrijpen in eenvoudige teksten in tijdschriften, kranten of op internet

• kan relevante informatie vinden en begrijpen in brochures en korte officiële documenten op internet of in andere media

• kan specifieke informatie vinden en begrijpen in eenvoudig, alledaags materiaal

• kan in lijsten, overzichten en formulieren specifieke informatie vinden en begrijpen

• kan belangrijke feitelijke informatie begrijpen in korte verslagen en artikelen

• kan hoofdthema en belangrijkste argumenten begrijpen in eenvoudige teksten in tijdschriften, kranten of op internet

• kan helder geschreven, ondubbelzinnige instructies begrijpen

• kan in langere teksten op internet of in andere media informatie zoeken over thema’s binnen het eigen interessegebied

• kan persoonlijke brieven, e-mails en vormen van sociale media voldoende begrijpen om met iemand te kunnen corresponderen

• kan in langere teksten op internet of in andere media informatie zoeken over thema’s binnen het eigen interessegebied


LUISTERVAARDIGHEID

• kan de wezenlijke informatie verstaan en onderscheiden in korte opgenomen passages over voorspelbare alledaagse zaken

• kan in vertrouwde situaties eenvoudige feitelijke informatie begrijpen

• kan de wezenlijke informatie verstaan en onderscheiden in korte opgenomen passages over voorspelbare alledaagse zaken

• kan de inhoudelijke informatie van het meeste opgenomen of uitgezonden geluidsmateriaal over onderwerpen van persoonlijk belang verstaan

• kan de hoofdpunten verstaan van nieuwsberichten op de radio en van eenvoudiger opgenomen materiaal over vertrouwde onderwerpen

• kan de hoofdpunten vatten van televisieprogramma’s over vertrouwde onderwerpen wanneer deze betrekkelijk langzaam en helder worden gepresenteerd

• kan zich een indruk vormen van de belangrijkste inhoud in een feitelijk nieuwsbericht op televisie

• kan over het algemeen veranderingen van onderwerp volgen in formele discussies die betrekking hebben op zijn of haar vakgebied

• kan over het algemeen de hoofdpunten volgen van een uitgebreide, informele discussie die rondom hem of haar wordt gevoerd

• kan de hoofdpunten vatten van televisieprogramma’s over vertrouwde onderwerpen wanneer deze betrekkelijk langzaam en helder worden gepresenteerd

• kan over het algemeen het onderwerp herkennen van de discussie rondom hem of haar

• kan het belangrijkste punt herkennen van nieuwsberichten op televisie waarin verslag wordt gedaan van gebeurtenissen, ongelukken en dergelijke en waarin het beeld het commentaar ondersteunt

• kan gedetailleerde aanwijzingen volgen


GESPREKSVAARDIGHEID

• kan in beperkte mate meedoen aan eenvoudige gesprekken over alledaagse, bekende onderwerpen

• kan informatie van persoonlijke aard vragen en geven

• kan zijn of haar meningen en reacties overbrengen met betrekking tot oplossingen voor problemen of praktische vragen

• kan beperkte informatie uitwisselen over vertrouwde en alledaagse zaken van praktische aard

• kan zeggen wat hij of zij leuk of lekker vindt en wat niet

• kan afspraken maken

• kan een eenvoudig telefoongesprek voeren

• kan korte, eenvoudige opdrachten en aanwijzingen geven en opvolgen

• kan zijn of haar mening geven en reacties overbrengen met betrekking tot mogelijke oplossingen van problemen en het nemen van praktische beslissingen, en daarbij beknopte redenen en verklaringen geven


SPREEKVAARDIGHEID

• kan in eenvoudige bewoordingen mensen, plaatsen en bezittingen beschrijven

• kan een korte, ingestudeerde, eenvoudige presentatie geven over een vertrouwd onderwerp en • kan duidelijke vragen naar aanleiding van de presentatie beantwoorden als hij of zij om herhaling • kan vragen en als enige hulp bij het formuleren van het antwoord mogelijk is

• kan korte, eenvoudige beschrijvingen geven van gebeurtenissen en activiteiten

• kan in het kort zaken uitleggen en toelichten

• kan een verhaal vertellen of iets beschrijven A2

• kan uitleggen wat hij of zij leuk of niet leuk vindt aan iets


SCHRIJFVAARDIGHEID

• kan in korte, eenvoudige zinnen vertrouwde zaken beschrijven

• kan zeer kort en elementair gebeurtenissen, activiteiten in het verleden en persoonlijke ervaringen beschrijven

• kan op advertenties reageren

• kan persoonlijke brieven en e-mails schrijven of gebruikmaken van andere vormen van sociale media

waarin ervaringen, gevoelens en gebeurtenissen enigszins gedetailleerd worden beschreven

• kan een eenvoudig persoonlijk briefje schrijven via de post, e-mail of via andere sociale media

• kan korte, eenvoudige berichten schrijven over zaken van direct belang

• kan in korte, eenvoudige zinnen een persoon beschrijven

• kan standaardformulieren invullen

• kan in korte, eenvoudige zinnen vertrouwde zaken beschrijven

• kan schrijven over alledaagse aspecten van zijn of haar omgeving in zinnen die met elkaar verbonden zijn


Grammatica

• Haben, sein, werden im Präsens, Präteritum und Partizip II

• Präsens schwache Verben

• Fragewörter

• Plural Substantive

• Präsens schwache Verben mit Wortstamm auf -t, -d oder Zischlaut und Verben wie regnen

• Personalpronomen

• Modalverben

• Konjunktiv II

• Wortstellung Verben

• (Wechsel)präpositionen und Fälle

• Verben mit Fall

• Zahlen

• Imperativ

• Adjektiv

• Adverbien und Konjunktionen

• Steigerungsstufen

• Vergleichswörter

• Reflexive Verben und Reflexivpronomen


Uitspraak

• Sisklanken

• Umlaut

• Lettercombinatie -ch

• Letter -g

• Vokale










Aan het eind van havo 5


LEESVAARDIGHEID

• kan eenvoudige jeugdliteratuur lezen    

• kan belangrijke feitelijke informatie begrijpen in korte verslagen en artikelen   

• kan hoofdthema en belangrijkste argumenten begrijpen in eenvoudige teksten in tijdschriften, kranten of op internet  

• kan literaire en non-fictieteksten lezen met een redelijke mate van begrip voor het geheel en voor details   

• kan belangrijke feitelijke informatie begrijpen in korte verslagen en artikelen    

• kan artikelen en verslagen over hedendaagse problemen begrijpen, waarin de schrijvers bepaalde stellingen of standpunten innemen   

• kan in langere teksten op internet of in andere media informatie zoeken over thema’s binnen zijn of haar eigen interessegebied  

• kan helder geschreven, ondubbelzinnige instructies begrijpen  

• kan bij allerlei soorten berichten, artikelen of verslagen snel bepalen of het de moeite waard is deze nader te bestuderen  

• kan in teksten over onderwerpen van algemeen belang of binnen het eigen vak- of interessegebied nieuwe informatie en specifieke details vinden    

• kan snel belangrijke detailinformatie vinden in lange en complete teksten  

• kan relevante informatie vinden en begrijpen in brochures en korte officiële documenten op internet of in andere media  


LUISTERVAARDIGHEID

• kan de hoofdpunten vatten van televisieprogramma’s over vertrouwde onderwerpen wanneer deze betrekkelijk langzaam en helder worden gepresenteerd   

• kan de hoofdpunten verstaan van nieuwsberichten op de radio en van eenvoudiger opgenomen materiaal over vertrouwde onderwerpen    

• kan gedetailleerde aanwijzingen volgen  

• kan de inhoudelijke informatie van het meeste opgenomen of uitgezonden geluidsmateriaal over onderwerpen van persoonlijk belang verstaan   

• kan over het algemeen de hoofdpunten volgen van een uitgebreide, informele discussie die rondom hem of haar wordt gevoerd  

• kan veel volgen van wat rondom hem of haar wordt gezegd over algemene onderwerpen  


GESPREKSVAARDIGHEID

• kan gevoelens uiten en op gevoelens van anderen reageren  

• kan persoonlijke standpunten, commentaar en meningen geven of erom vragen in discussies over belangwekkende onderwerpen   

• kan deelnemen aan een alledaagse formele discussie over vertrouwde onderwerpen die gaan om de uitwisseling van feitelijke informatie, het ontvangen van en reageren op aanwijzingen of het bespreken van oplossingen voor praktische problemen  

• kan meningen en reacties overbrengen met betrekking tot oplossingen voor problemen of praktische vragen  

• kan in beperkte mate deelnemen aan routinematige discussies over praktische zaken  

• kan een mening geven en voorstellen doen met betrekking tot het oplossen van problemen en het nemen van praktische beslissingen  

• kan overweg met voorspelbare situaties die zich kunnen voordoen tijdens een reis  


SPREEKVAARDIGHEID

• kan eenvoudige beschrijvingen geven van diverse vertrouwde onderwerpen binnen het eigen interessegebied   

• kan een voorbereide presentatie of spreekbeurt houden over een vertrouwd onderwerp binnen het eigen interessegebied  

• kan een eenvoudige presentatie of spreekbeurt houden   

• kan in het kort zaken uitleggen en toelichten  

• kan in alledaagse of vertrouwde situaties duidelijke mededelingen en aankondigingen doen aan een groep  


SCHRIJFVAARDIGHEID

• kan een eenvoudig persoonlijk briefje schrijven via de post, e-mail of via andere sociale media  

• kan een aantal eenvoudige frases en zinnen over familie, leefomstandigheden, educatieve achtergrond, huidige of meest recente baan schrijven  

• kan aan een contactpersoon een korte bevestiging van gemaakte afspraken schrijven  

• kan op advertenties reageren  

• kan korte, eenvoudige berichten schrijven over zaken van direct belang  

• kan in korte, eenvoudige zinnen vertrouwde zaken beschrijven  

• kan eenvoudige brieven schrijven aan instanties en zakelijke contacten  

• kan een eenvoudig opstel schrijven over een onderwerp dat hem of haar interesseert  

• kan in korte, eenvoudige zinnen een persoon beschrijven  

• kan korte, eenvoudige opstellen schrijven over belangwekkende onderwerpen  

• kan een verhaal schrijven over een onderwerp dat hem of haar interesseert












 

© 2022 - W. Bunnik

GERMATIK LESEN HÖREN SCHREIBEN SPRECHEN 1 SPRECHEN 2 WERKZEUG SPIEL