Neue Aufgaben


WOCHE 46 - 12-11-2018 – 16-11-2018







© 2018 - W. Bunnik

WOCHE 41 - 8-10-2018 – 12-10-2018

WOCHE 40 - 1-10-2018 – 5-10-2018

WOCHE 39 - 24-9-2018 – 28-9-2018

WOCHE 38 - 17-9-2018 – 21-9-2018

WOCHE 37 - 10-9-2018 – 14-9-2018

WOCHE 36 - 3-9-2018 – 7-9-2018

WOCHE 35 - 27-8-2018 – 31-8-2018

GERMATIK LESEN HÖREN SCHREIBEN SPRECHEN 1 SPRECHEN 2 WERKZEUG ÜBEN
AuFgAbEn DeUtScH
Summative Aufgaben 18/45

Naamval

Naamval Kasus

In het Duits kan de vorm van bijvoorbeeld lidwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en voornaamwoorden veranderen afhankelijk van de functie in de zin of van een voorzetsel.

- Der Ball ist rund.

- Ich sehe den Ball.

- Sie spielt mit dem Ball.

 

Het Duits heeft vier naamvallen (met elk een bepaalde functie in de zin).

1e naamval Nominativ

De 1e naamval (Nominativ) wordt gebruikt voor het onderwerp van de zin.

- Der Mann kann nicht kommen.

- Die Frau geht nach Hause.

 

2e naamval Genitiv

De 2e naamval (Genitiv) drukt een bezit uit (van …).

- Ich suche das Buch des Mannes.

 

 

3e naamval Dativ

De 3e naamval (Dativ) wordt gebruikt voor het meewerkend voorwerp van de zin.

- Hast du dem Mann das Geld gegeben?

 

 

4e naamval Akkusativ

De 4e naamval (Akkusativ) wordt gebruikt voor het lijdend voorwerp van de zin.

- Er sieht den Mann.

 

 

Voorzetsel Präposition

Voorzetsels hebben invloed op de naamval van een woord of woordgroep waar ze vóór staan..

- Das Kind spielt mit dem Ball.

 

 

Er zijn voorzetsels waarna altijd een 2e, 3e of 4e naamval volgt.

 

- Der Dom liegt diesseits des Rheins.

- Er steht bei seinem Auto.

- Du schaffst das auch ohne meinen Beistand.

 

Volgorde

De 1e en 4e naamval zijn het belangrijkst. De 3e en 2e naamval worden minder vaak gebruikt. Daarom wijkt de volgorde van de naamvallen in schema’s van veel grammaticaboeken af.

- 1e naamval

- 4e naamval

- 3e naamval

- 2e naamval

Nominativ

Akkusativ

Dativ

Genitiv